ECLI:NL:RBAMS:2026:7713

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
24 juli 2026
Publicatiedatum
28 juli 2026
Zaaknummer
13-091525-26
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 36b SrArt. 36d SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak en veroordeling voor medeplegen wapenbezit en drugsbezit in Amsterdam

Op 26 maart 2026 werd verdachte aangehouden in Amsterdam na een flitsbezoek aan een adres. Bij hem werden kleine hoeveelheden cocaïne aangetroffen, evenals amfetamine in zijn woning en een pistool met munitie bij een medeverdachte. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen van wapenbezit, medeplegen en opzettelijk aanwezig hebben van hard- en softdrugs.

De rechtbank sprak verdachte vrij van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 159,16 gram heroïne vanwege de lage concentratie (minder dan 1%) die onvoldoende bewijs leverde voor opzet. Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte het pistool en munitie bewust aanwezig had en dat hij samen met de medeverdachte handelde. Ook werd bewezen dat verdachte cocaïne en amfetamine opzettelijk aanwezig had en medepleegde in het bezit van henneptoppen.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van 15 maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, de dealerindicatie, en het ontbreken van eerdere veroordelingen. Daarnaast werd €100,- aan contant geld verbeurd verklaard en werden de inbeslaggenomen wapens en drugs onttrokken aan het verkeer. De straf werd verminderd met de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis had doorgebracht.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van medeplegen heroïne, veroordeeld tot 15 maanden gevangenisstraf voor wapenbezit en drugsbezit.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/091525-26
Datum uitspraak: 24 juli 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2001,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP-adres] ,
thans gedetineerd te: [P.I.] .

1.Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. B.M.A. Kersten, naar voren hebben gebracht.
Deze zaak is gelijktijdig - maar niet gevoegd - behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] met parketnummer 13/091526-26.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich op 26 maart 2026 te Amsterdam schuldig heeft gemaakt aan:
feit 1:
het medeplegen van het voorhanden van een wapen van categorie III en munitie van categorie III;
feit 2:
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs;
feit 3:
het opzettelijk aanwezig hebben van harddrugs;
feit 4:
het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van softdrugs.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Waardering van het bewijs

3.1.
Standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder feit 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het onder de feiten 1, 3 en 4 tenlastegelegde.
3.3.
Standpunt van de verdediging
Ten aanzien van de feiten 2 en 4 heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw bepleit dat uit de forensische bevindingen volgt dat de tenlastegelegde 159,16 gram slechts een zeer lage concentratie heroïne bevat, namelijk minder dan 1% en dat dit wijst op een afvalfractie. Ten aanzien van de aangetroffen sealbags is vastgesteld dat deze geen stoffen bevatten die zijn opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsvrouw bepleit dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat het daadwerkelijk hennep betreft.
Ten aanzien van het onder feit 3 eerste gedachtestreepje tenlastegelegde heeft de raadsvrouw opgemerkt dat het nettogewicht van de aangetroffen drugs 3,77 gram is. Verder heeft de raadsvrouw geen bewijsverweer gevoerd ten aanzien van de feiten 1 en 3.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Vrijspraak feit 2
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen onder feit 2 ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. Uit onderzoek is gebleken dat de tenlastegelegde 1,78 kilogram geen stoffen bevat die zijn opgenomen in de bij de Opiumwet behorende lijst I. Ten aanzien van de tenlastegelegde 159,16 gram heroïne overweegt de rechtbank dat blijkens het NFI-rapport het onderzoeksmateriaal onder andere een lage concentratie heroïne bevat (minder dan 1% heroïne). Volgens de toelichting is deze concentratie laag ten opzichte van de concentraties op gangbare gebruikerniveaus, die op circa 46% liggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aangetroffen concentratie onvoldoende is om het opzettelijk aanwezig hebben van 159,16 gram heroïne te bewijzen.
3.3.2.
Feiten en omstandigheden ten aanzien van de feiten 1, 3, en 4
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit. [1]
Aanhouding verdachte
Op 26 maart 2026 zagen verbalisanten dat verdachte een zogenoemd flitsbezoek bracht aan de [straat 1] in Amsterdam, waarna verdachte werd aangehouden. In zijn binnenzak werden twee briefjes van vijftig euro en vier kamagra pillen aangetroffen. In de onderbroek van verdachte werden - in vijf wikkels en negen bolletjes - 3,77 gram cocaïne (6792261) en 3,21 gram cocaïne (6792260) aangetroffen. [2] Na de aanhouding van verdachte kwamen er op de bij de verdachte aangetroffen telefoon meerdere berichten binnen welke door de verbalisant ambtshalve herkend werden als berichten aan een drugsdealer. [3]
Aanhouding medeverdachte
Drie verbalisanten zijn vervolgens naar de woning van verdachte aan de [BRP-adres] te Amsterdam gegaan. Voor de woning van verdachte troffen zij de medeverdachte aan met twee zwarte schoudertassen en twee plastic tassen. Bij de medeverdachte werden onder andere een geladen, maar niet doorgeladen, pistool van het merk Crvena Zastava, type 70, kaliber 7.65mm Browning met acht patronen van het merk Sellier & Bellot van het kaliber 7.65mm Browning aangetroffen. [4] Daarnaast werd bij de medeverdachte 254 gram henneptoppen aangetroffen. Een verbalisant heeft vastgesteld dat het hennep is op grond van de uiterlijke kenmerken, de kleur, de vorm en de herkenbare geur van hennep. [5] Tijdens de aanhouding van de medeverdachte zag een verbalisant op de bij medeverdachte aangetroffen telefoon een gesprek openstaan met ene T020 waarin onder andere werd gezegd “we moeten die osso sxhoonmake” en “ze hebben ons door”. Ook werd de huissleutel van de woning van verdachte aangetroffen bij de medeverdachte. [6]
Doorzoeking woning
In de woning van verdachte zijn onder andere twee pakketten met 1752,60 gram amfetamine (6792365) aangetroffen in de vriezer. [7]
DNA
Er is DNA-onderzoek uitgevoerd op het aangetroffen wapen. Op de binnenzijde van de loop en de vulopening van het patroonmagazijn is een DNA-hoofdprofiel afgeleid van verdachte waarvan de frequentie van voorkomen kleiner is dan één op één miljard. Op de trekker van het pistool is een DNA-mengprofiel van twee mannen aangetroffen, waarvan het één miljard keer waarschijnlijker is dat het gaat om DNA van medeverdachte en één onbekende persoon, dan dat het gaat om DNA van twee onbekende personen. [8]
Verklaring verdachte
Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij tassen met spullen bewaarde voor een onbekend gebleven persoon. Hij wist dat hij onder andere een vuurwapen met munitie bewaarde en hij heeft dit vuurwapen ook vastgehad. Ook wist verdachte dat er doorzichtige verpakkingen met iets wits in de vriezer lagen. Tijdens zijn aanhouding was hij aan de telefoon met de medeverdachte en heeft hij aan de medeverdachte gevraagd om zijn woning schoon te maken. De aangetroffen verdovende middelen in zijn onderbroek waren voor vrienden. [9]
3.3.2.1. Oordeel feit 1
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen of munitie in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie allereerst is vereist dat verdachte een wapen of munitie bewust aanwezig heeft gehad. Verder is voor de bewezenverklaring van dat voorhanden hebben nodig dat verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Gelet op de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven, staat het vast dat verdachte het pistool en de munitie bewust aanwezig heeft gehad en dat hij daarover heeft kunnen beschikken. Daarmee acht de rechtbank bewezen dat verdachte een pistool en acht patronen voorhanden heeft gehad. Nu verdachte aan de medeverdachte heeft gevraagd zijn woning ‘schoon te maken’, hetgeen hij vervolgens ook heeft gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte om het tenlastegelegde medeplegen te kunnen bewijzen. De rechtbank acht het onder feit 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.3.2.2. Oordeel feit 3 en feit 4
Voor de bewezenverklaring van het opzettelijk aanwezig hebben van verdovende middelen is nodig dat verdachte feitelijke macht over het verdovende middel heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Feit 3
De rechtbank komt op basis van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden tot het oordeel dat verdachte de aangetroffen verdovende middelen opzettelijk aanwezig heeft gehad. Hij had cocaïne in zijn onderbroek en uit zijn verklaring volgt dat hij wist dat hij verpakkingen met verboden middelen in zijn vriezer bewaarde, waarover hij kon beschikken. De rechtbank acht het onder feit 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen en oordeelt daarbij dat het onder het eerste gedachtestreepje tenlastegelegde bewezen kan worden tot 3,77 gram cocaïne (6792261).
Feit 4
De rechtbank overweegt dat de verbalisant op grond van de uiterlijke kenmerken, de kleur, de vorm en de herkenbare geur van hennep heeft vastgesteld dat het hennep betreft. De rechtbank is van oordeel dat dit, gezien de bestaande jurisprudentie op dit punt, voldoende is om te kunnen bewijzen dat het daadwerkelijk hennep betreft.
De rechtbank overweegt dat verdachte wist dat hij verboden middelen in zijn woning bewaarde en dat hij, gelet op zijn verklaring dat de spullen al geruime tijd in zijn woning stonden en de herkenbare geur die de henneptoppen afgaven, wist dat er henneptoppen in de tas zaten, waarover hij kon beschikken. De rechtbank komt op basis van het voorgaande tot het oordeel dat verdachte de 254 gram henneptoppen opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Uit het voorgaande volgt dat ook ten aanzien van dit feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte om het tenlastegelegde medeplegen te kunnen bewijzen. De rechtbank acht het onder feit 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
feit 1:
op 26 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool, van het merk Crvena Zastava, type 70, kaliber 7.65mm Browning (synoniem voor 32 AUTO) zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad en munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 8 patronen, van het merk Sellier & Bellot van het kaliber 7.65mm Browning (synoniem voor .32 AUTO) voorhanden heeft gehad;
feit 3:
op 26 maart 2026 te Amsterdam, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ( goednummer: 6792261) 3,77 gram cocaïne en
- ( goednummer: 6792260) 3,21 gram cocaïne en
- ( goednummer: 6792365) 1752,60 gram amfetamine,
zijnde cocaïne en amfetamine, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 4:
op 26 maart 2026 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad (goednummer: 6792399) 254 gram henneptoppen, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

5.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7.Motivering van de straf

7.1.
Eis van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden, met aftrek van voorarrest.
7.2.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte een gevangenisstraf van elf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk op te leggen. Subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om in ieder geval geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langer dan zes maanden op te leggen.
7.3.
Oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, amfetamine en hennep. Door deze sterk verslavende middelen wordt de volksgezondheid ernstig bedreigd en verdachte heeft hier een bijdrage aan geleverd. Verdachte heeft ook in vereniging in het openbaar een geladen vuurwapen voorhanden gehad. Het staat buiten kijf dat het ongeoorloofde bezit van een vuurwapen onaanvaardbare risico’s voor de veiligheid van personen met zich meebrengt vanwege de kans op het gebruik daarvan, met alle mogelijke onomkeerbare gevolgen van dien.
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd en zoekt zij aansluiting bij de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Verder heeft de rechtbank rekening gehouden met het Uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 5 juni 2026, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Gezien de ernst van de feiten kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarbij weegt de rechtbank mee dat gelet op de omstandigheden sprake is van een dealerindicatie. De verklaring van verdachte dat hij de cocaïne in de sok slechts bewaarde voor een vriend acht de rechtbank ongeloofwaardig. De politie had immers kort voor de aanhouding van verdachte een flitsbezoek waargenomen. Daarnaast waren de verdovende middelen in kleine hoeveelheden verpakt en verstopt in zijn onderbroek en had hij twee biljetten van € 50,- op zak, waarbij geldt dat € 50,- een gebruikelijk bedrag is voor één gram cocaïne. Verder zijn er door verbalisanten binnenkomende berichten op de telefoon die bij verdachte in beslag is genomen waargenomen die ambtshalve werden herkend als berichten gericht aan een drugsdealer. Nu verdachte geen volledige openheid van zaken heeft gegeven en de reclassering mede om deze reden geen aanknopingspunten ziet voor een reclasseringstoezicht, acht de rechtbank een deels voorwaardelijke straf niet passend. Alles tezamen acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden.

8.Beslag

Verbeurdverklaring
Ten aanzien van de twee briefjes van € 50,- die zijn aangetroffen in de binnenzak van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden waaronder deze biljetten zijn aangetroffen overweegt de rechtbank dat het voldoende aannemelijk is geworden dat het in beslag genomen geldbedrag van € 100,- geheel of grotendeels uit baten van het bewezen geachte is verkregen en verdachte dit geldbedrag geheel of ten dele te eigen bate kan aanwenden. De rechtbank zal daarom het inbeslaggenomen geldbedrag van € 100,- met goednummer G6792398 verbeurd verklaren.
Onttrekking aan het verkeer
De onder verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, te weten:
- 4 STK Medicijn (Kamagra) (G6792394);
- 1 STK Hennep (1,84 kg hennepzaden) (G6792368),
dienen onttrokken te worden aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien deze voorwerpen zijn aangetroffen in het onderzoek naar de door verdachte begane misdrijven, terwijl deze voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven en van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36b, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder feit 2 tenlastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder de feiten 1, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
feit 1
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
feit 3
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd
feit 4
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte,
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstrafvan
15 (vijftien) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaartverbeurd:
- € 100,- ( € 100,- (G6792398)
Verklaartonttrokken aan het verkeer:
  • 4 STK Medicijn (G6792394)
  • 1 STK Hennep (G6792368)
Dit vonnis is gewezen door
mr. H.E. Hoogendijk, voorzitter,
mrs. D. Bode en A.R. Vlierhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. K.M.S. Kamp en L.D. de Vries, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2026.
[....]

Voetnoten

1.Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.
2.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-14, p. 17; Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met bijlagen met nummer 260327-954-123, p. 364; Rapporten Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 april 2026 met nummer 2026.04.0.053 (aanvraag 002 en 003), p. 360 en 361
3.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-14, p. 17.
4.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-14, p. 17; Proces-verbaal van technisch onderzoek met nummer 2026075197-41, p. 279.
5.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-14, p. 17; Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-37, p. 15.
6.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-14, p. 17.
7.Proces-verbaal van bevindingen met nummer PL1300-2026075197-28, p. 30; KVI met nummer PL1300 2026075197-18, p. 119; Proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met bijlagen met nummer 260327-954-123, p. 364; Rapport Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 april 2026 met nummer 2026.04.09.053 (aanvraag 005), p. 359.
8.Rapport forensisch DNA-onderzoek met bijlagen, p. 325.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2026075197-71, p. 69.