ECLI:NL:RBAMS:2026:7726

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
29 juli 2026
Zaaknummer
81-181346-22
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor feitelijk leidinggeven aan belastingfraude en onjuiste aangiften

De rechtbank Amsterdam heeft op 2 juli 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen verdachte, die werd verdacht van meerdere feiten van belastingfraude. Verdachte werd beschuldigd van medeplegen en feitelijk leidinggeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting, het niet doen van aangiften en het niet voldoen aan administratieplicht, waardoor te weinig belasting werd geheven.

Tijdens de terechtzitting zijn procesafspraken gemaakt tussen het Openbaar Ministerie en de verdediging, waarbij verdachte afstand deed van verweren en onderzoekswensen. De rechtbank heeft deze afspraken getoetst aan het recht op een eerlijk proces en geaccepteerd. Op basis van het dossier en de procesafspraken verklaarde de rechtbank de feiten bewezen, behalve het medeplegen, waarvoor verdachte werd vrijgesproken.

De rechtbank stelde vast dat verdachte als feitelijk leidinggever betrokken was bij de onjuiste en niet ingediende aangiften en het niet voeren van een volledige administratie. De fraude had een benadelingsbedrag van meer dan een miljoen euro tot gevolg. Gelet op de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte waaronder een alcohol- en gokverslaving, en de maatschappelijke belangen, legde de rechtbank een taakstraf van 240 uur, een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaar en ontzetting van het recht tot het uitoefenen van het beroep van bestuurder voor 3 jaar op.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot taakstraf, voorwaardelijke gevangenisstraf en ontzetting voor feitelijk leidinggeven aan belastingfraude.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 81/181346-22
Datum uitspraak: 2 juli 2026
Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats] ,
wonende op het adres [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit (verkort) vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 juli 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.B.A. Frakking, en van wat verdachte en zijn raadslieden, mr. M. van Zijtveld en mr. I.C.H. Gerrits, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort weergegeven – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1. het medeplegen van opzettelijk onjuist/onvolledig aangifte omzetbelasting doen, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 23 oktober 2019 tot en met 29 juni 2020 in Amsterdam/Apeldoorn;
2. feitelijk leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk onjuist/onvolledig aangifte omzetbelasting doen ten name van [bedrijf 1] B.V. (
hierna: [bedrijf 1]) [bedrijf 2] B.V. (
hierna: [bedrijf 2]) en [bedrijf 3] B.V. (
hierna: [bedrijf 3]), terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 30 januari 2019 tot en met 18 december 2020 in Rotterdam/Amsterdam/Apeldoorn;
3. feitelijk leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk niet/niet binnen de gestelde termijn aangifte vennootschapsbelasting doen ten name van [bedrijf 1] , terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 mei 2024 in Rotterdam/Amsterdam/Apeldoorn;
4. feitelijk leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk onjuist/onvolledig aangifte vennootschapsbelasting doen ten name van [bedrijf 2] en ten name van [bedrijf 3] , terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 28 december 2020 tot en met 1 april 2021 in Amsterdam/Apeldoorn;
5. feitelijk leiding geven aan het medeplegen van het opzettelijk niet voeren van administratie, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, in de periode van 20 september 2018 tot en met 30 mei 2024 in Rotterdam/Amsterdam.
De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3.Procesafspraken

3.1.
Totstandkoming procesafspraken
De verdediging en het Openbaar Ministerie zijn naar aanleiding van de inhoud van het reclasseringsrapport van 21 augustus 2025 met elkaar in gesprek gegaan over de mogelijkheid van het maken van procesafspraken. Op 8 januari 2026 zijn de procesafspraken door de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman ondertekend.
Ter terechtzitting op 2 juli 2026 heeft de rechtbank de betrokken procespartijen laten weten dat zij de voorgestelde duur van 9 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf in dit stadium van de procedure geen recht vond doen aan de ernst van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Daarop hebben het Openbaar Ministerie en de verdediging mondeling de hoogte van de voorwaardelijke gevangenisstraf in de procesafspraak aangepast.
De procesafspraken zijn als
bijlage IIaan dit vonnis gehecht en gelden als hier ingevoegd.
3.2.
Overeengekomen procesafspraken
Het Openbaar Ministerie en de verdediging zijn in de procesafspraken – van 8 januari 2026 en na (mondelinge) wijziging op 2 juli 2026 – overeengekomen dat:
het Openbaar Ministerie ter zitting een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten zal eisen;
de verdediging ten aanzien van de tenlastelegging géén verweer zal voeren;
de verdediging geen onderzoekswensen zal indienen;
het Openbaar Ministerie ter terechtzitting het volgende zal eisen:
- een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis;
- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden met een proeftijd van 3 jaren, onder de bijzondere voorwaarden dat (1) de verdachte zich zal melden bij Reclassering Nederland, (2) de verdachte een ambulante behandeling (bestaande uit een behandeling gericht op zijn alcoholgebruik en gokverslaving) zal ondergaan, en (3) de verdachte medewerking zal verlenen aan schuldhulpverlening
- ontzetting van het recht tot het bekleden van de functie van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaren;
verdachte niet zal betwisten het tenlastegelegde te hebben begaan en de verdediging geen verweer zal voeren tegen de bewezenverklaring en/of tegen voornoemde strafeis;
verdachte tijdens de behandeling van zijn strafzaak ter terechtzitting aanwezig zal zijn, zodat de rechtbank de totstandkoming van deze procesafspraken kan toetsen;
verdachte zich niet aan de tenuitvoerlegging van de straf zal onttrekken;
door de verdediging en/of het Openbaar Ministerie geen hoger beroep zal worden ingesteld indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken;
deze procesafspraken vervallen indien en voor zover die niet integraal gevolgd wordt door de rechtbank.
3.3.
Beoordeling procesafspraken door de rechtbank
Gelet op het feit dat verdachte in de procesafspraken afstand doet van bepaalde aan hem toekomende verdedigingsrechten dient de rechtbank te onderzoeken of is voldaan aan de eisen van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens), voordat zij deze afspraken in overweging kan nemen. [1]
De rechtbank heeft op de zitting van 2 juli 2026 de procesafspraken besproken met verdachte, terwijl hij werd bijgestaan door zijn raadslieden. Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij begrijpt waar de procesafspraken uit bestaan. De rechtbank heeft de gevolgen van de procesafspraken besproken en de rechtspositie van verdachte concreet aan de orde gesteld. Verdachte heeft verklaard dat hij akkoord gaat met de hiervoor genoemde procesafspraken. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte zich vrij voelde om zelf te beslissen en zich niet onder druk gezet heeft gevoeld om de procesafspraken te maken.
De rechtbank stelt vast dat verdachte, die gedurende zijn proces steeds is bijgestaan door een van zijn raadslieden, vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing om mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. De rechtbank heeft zich er bij de inhoudelijke behandeling van vergewist dat verdachte nog altijd achter de gemaakte afspraken en het afdoeningsvoorstel staat.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat zij acht kan slaan op de tussen het
Openbaar Ministerie en de verdediging gemaakte procesafspraken.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft zich overeenkomstig de procesafspraken op het standpunt gesteld dat de tenlastegelegde feiten kunnen worden bewezen.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen bewijsverweer gevoerd.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op basis van de bewijsmiddelen in het dossier komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, zoals weergegeven in rubriek 5. De rechtbank baseert haar beslissing op de feiten en omstandigheden die zij als bewijsmiddelen uit het dossier heeft gedestilleerd en op de hierna volgende overwegingen. Als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkorte vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkorte vonnis gehecht.
Partiële vrijspraak medeplegen
Niet is komen vast te staan dat verdachte het ten laste gelegde in nauwe en bewuste samenwerking met een ander heeft begaan. Verdachte zal ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten worden vrijgesproken van het medeplegen.
Feitelijk leiding geven
De rechtbank stelt vast dat verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en [bedrijf 3] in de ten laste gelegde perioden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte als bestuurder feitelijke zeggenschap heeft gehad over deze rechtspersonen. Ook is hij betrokken geweest bij het doen van de aangiften.
Onjuist doen van aangiften omzetbelasting (feit 1 en feit 2)
Uit onderzoek naar zes afnemers is gebleken dat de gefactureerde omzetbelasting van de ten laste gelegde kwartalen hoger was dan de bij de belastingdienst aangegeven omzetbelasting, zowel bij de bedrijven van verdachte, handelend onder de namen [bedrijf 4] , [bedrijf 5] , [bedrijf 6] en [bedrijf 7] (feit 1) als bij de vennootschappen waarvan hij feitelijk leidinggever was (feit 2). Dat blijkt ook uit de bankafschriften. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij op de hoogte was van het feit dat hij (als bestuurder) verantwoordelijk was voor het doen van aangifte. De rechtbank stelt vast dat de verschillen tussen de aangegeven omzet en daadwerkelijke omzet zodanig groot zijn, dat het niet om een administratieve fout kan zijn gegaan ten gevolge waarvan de aan verdachte gelieerde ondernemingen te weinig belasting hebben betaald. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 1 en 2.
Niet/onjuist doen van aangifte vennootschapsbelasting (feit 3 en feit 4)
Hiervoor is vastgesteld dat de ondernemingen waar verdachte feitelijk leidinggever van was omzet hebben gedraaid. Verdachte heeft namens [bedrijf 2] en [bedrijf 3] aangifte vennootschapsbelasting gedaan, waarin geen bedragen zijn vermeld. Namens [bedrijf 1] is helemaal geen aangifte gedaan. Daardoor hebben deze vennootschappen waaraan verdachte feitelijk leiding gaf, te weinig belasting betaald. De rechtbank stelt vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 3 en 4.
Niet voldoen aan de administratieverplichting (feit 5)
In de door verdachte als feitelijk leidinggever van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] op verzoek van en bij de belastingdienst aangeleverde administraties ontbraken onder andere het kasboek, de bankafschriften en de debiteuren en crediteurenadministratie. Van [bedrijf 2] is ondanks een verzoek daartoe in het geheel geen administratie aangeleverd. Voor alledrie de vennootschappen is vastgesteld dat er te weinig belasting is betaald. De rechtbank stelt daarom vast dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde onder 5.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
Ten aanzien van feit 1:
handelend onder [bedrijf 4] en [bedrijf 5] en [bedrijf 6] en [bedrijf 7] op meer tijdstippen in de periode van 23 oktober 2019 tot en met 29 juni 2020 in Amsterdam en Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting ten name van [verdachte] (omzetbelastingnummer [nummer] ) over:
- het 3e kwartaal en/of het 4e kwartaal van het jaar 2019, en
- het 1e kwartaal en/of het 2e kwartaal van het jaar 2020,
onjuist heeft gedaan, door op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven,
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven;
Ten aanzien van feit 2:[bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. op meer tijdstippen in de periode van 30 januari 2019 tot en met 18 december 2020 in Rotterdam en Amsterdam en Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in
de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de omzetbelasting over:
ten name van [bedrijf 1] B.V.
- het 4e kwartaal van het jaar 2018, en
- het 1e kwartaal en het 2e kwartaal en het 3e kwartaal en het 4e kwartaal van het jaar 2019, en
ten name van [bedrijf 2] B.V.
- het 4e kwartaal van het jaar 2019, en
- het 1e kwartaal van het jaar 2020, en
ten name van [bedrijf 3] B.V.
- het 2e kwartaal en het 3e kwartaal en het 4e van het jaar 2020
onjuist hebben gedaan, door op de ingediende aangiften een onjuist bedrag aan verschuldigde omzetbelasting en voor aftrek in aanmerking komende omzetbelasting op te geven,
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van feit 3:[bedrijf 1] B.V. op meer tijdstippen in de periode van 1 juni 2020 tot en met 30 mei 2024 in Rotterdam en Amsterdam en Apeldoorn, telkens opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten de aangifte voor de vennootschapsbelasting ten name van [bedrijf 1] BV over:
- 2018 (gebroken boekjaar 20/09/2018 — 31/12/2019),
niet heeft gedaan,
terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven;
aan welke bovenomschreven verboden gedragingverdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van feit 4:
[bedrijf 2] B.V. en [bedrijf 3] B.V. op meer tijdstippen in de periode van 28 december 2020 tot en met 1 april 2021 in Amsterdam en Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting over de aangiftetijdvakken:
- 2019 (gebroken boekjaar: 17/10/2019 — 08/03/2020) ten name van [bedrijf 2] B.V., en
- 2020 (gebroken boekjaar: 27/05/2020 — 05/11/2020) ten name van [bedrijf 3] B.V.,
onjuist hebben gedaan door op de ingediende aangiften een onjuist belastbaar bedrag op te geven,
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;
Ten aanzien van feit 5:[bedrijf 1] B.V. en [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 2] B.V. in de periode van 20 september 2018 tot en met 30 mei 2024 in Rotterdam en Amsterdam, als degenen die ingevolge de belastingwet verplicht waren tot het voeren van een administratie, overeenkomstig de daaraan bij of krachtens de belastingwet gestelde eisen, telkens opzettelijk een zodanige administratie niet hebben gevoerd, door
- geen bankboek bij te houden, en
- geen kasboek bij te houden, en
- geen crediteuren- en debiteurenlijsten bij te houden, en
- geen jaarstukken (balans en resultatenrekening) op te maken,
waardoor niet te allen tijde de rechten en verplichtingen van de belastingplichtige en andere voor de heffing van belasting zijnde gegevens kunnen worden gekend,
terwijl die feiten ertoe strekten dat te weinig belasting wordt geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;

6.De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Verdachte is dan ook strafbaar.

8.De straf

8.1.
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft overeenkomstig de procesafspraken gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, wordt opgelegd, met bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd en een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder of feitelijk bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaren.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft overeenkomstig de procesafspraken geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft zich beraden over de procesafspraken en haar eigen afweging gemaakt bij de bepaling van de op te leggen straf. Daarbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze naar voren zijn gekomen tijdens het onderzoek op de zitting.
Ernst van het feit
Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan belastingfraude, door (als feitelijke leidinggever) geen dan wel onjuiste aangiften omzetbelasting en vennootschapsbelasting in te dienen bij de Belastingdienst. Het gevolg hiervan was dat er te weinig belasting werd betaald; het benadelingsbedrag is berekend op meer dan een miljoen euro. Daarnaast heeft verdachte geen, danwel een zeer onvolledige administratie bijgehouden. Hij heeft met zijn handelwijze de belastingdienst en daarmee de maatschappij benadeeld.
Omstandigheden en de persoon van de verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op de inhoud van het reclasseringsrapport van Inforsa van 21 augustus 2025. Hieruit blijkt dat verdachte ten tijde van het plegen van de feiten een alcohol- en gokverslaving had en dat behandeling hiervan (nog steeds) geïndiceerd is. De rechtbank leidt hieruit af dat het plegen van de ten laste gelegde feiten ingegeven zijn door deze achterliggende verslavingsproblematiek.
Verder heeft de rechtbank gekeken naar vergelijkbare zaken waarin rekening is gehouden met de persoon van de verdachte bij dit type feiten. De rechtbank heeft verder acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 26 mei 2026, waaruit is gebleken dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
De rechtbank ziet in deze omstandigheden samen aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden op te leggen. Hoewel de ernst van de feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt, ziet de rechtbank belangrijke contra-indicaties voor het opleggen daarvan, omdat het verliezen van verdachtes woning een risicoverhogende werking heeft en zijn gezin afhankelijk van hem is. De rechtbank acht het van belang dat verdachte zijn woning blijft behouden en hij de kans krijgt om stabiliteit op verschillende leefgebieden te realiseren en te behouden. De rechtbank vindt het belangrijk dat de door de verdachte veroorzaakte schade zoveel mogelijk door hem hersteld wordt. Doordat de maatschappij door het handelen van verdachte financieel is benadeeld, is de maatschappij erbij gebaat als verdachte blijft werken om zijn belastingschuld terug te betalen. Dat gaat niet met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Wel zal verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf moeten verrichten vanwege de ernst van het feit en de hoogte van het benadelingsbedrag. Ook zal hij vanwege herhalingsgevaar gedurende een lange periode niet als bestuurder van een rechtspersoon werkzaam mogen zijn.
De rechtbank zal al met al in lijn met de procesafspraken de volgende straffen aan verdachte opleggen:
  • Een taakstraf van 240 uren, te vervangen door 120 dagen hechtenis;
  • een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met een proeftijd van 3 jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, en;
  • een ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van 3 jaren.

9.De toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 28, 31, 51, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

10.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van feit 1:
opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 2 en feit 4:
telkens: feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 3:
feitelijk leidinggeven aan het door een rechtspersoon begaan van het opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van feit 5:
feitelijk leidinggeven aan het door een rechtsopzettelijk begaan van het feit, omschreven in artikel 68, eerste lid, onderdeel d, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar.
Verklaart verdachte
[verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een
taakstraf van 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van
120 (honderdtwintig) dagen.
Veroordeelt verdachte tot een
gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.
Bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer gelegd zal worden, tenzij later anders wordt bevolen.
Stelt daarbij een proeftijd van
3 (drie) jarenvast.
De tenuitvoerlegging kan worden bevolen als de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.
En stelt als bijzondere voorwaarden dat:
  • Meldplicht bij reclasseringveroordeelde zich meldt binnen 5 werkdagen na het ingaan van de proeftijd bij Reclassering Inforsa Amsterdam op het adres [adres 2] . Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
  • Ambulante behandelingveroordeelde zich laat behandelen door de Forensisch Ambulante Zorg (FAZ) van Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling start zodra betrokkene is geaccepteerd door de zorgverlener. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
  • Meewerken aan schuldhulpverleningveroordeelde werkt, indien nodig, mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. Betrokkene geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en schulden.
Legt als bijkomende straf op aan verdachte ontzetting van het recht tot uitoefening van het beroep van bestuurder van een rechtspersoon voor de duur van
3 (drie) jaren.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.M. Berkhout, voorzitter,
mrs. M. Vaandrager en C. Bruil, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Brouwer, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2026.
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]
[..]

Voetnoten

1.Uitspraak van de Hoge Raad van 27 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1252.