ECLI:NL:RBAMS:2026:7785

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
30 juli 2026
Zaaknummer
AMS 25/4297
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 6:20 AwbArt. 7:12 AwbArt. 3:2 AwbArt. 35 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering VOG voor visumaanvraag Brazilië wegens onvoldoende belangenafweging

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ten behoeve van een visumaanvraag bij de Ambassade van Brazilië. Verweerder wees deze aanvraag af op basis van justitiële gegevens, waaronder een openstaande strafzaak wegens overtreding van sancties tegen Rusland binnen de terugkijktermijn.

Eiser stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar en tegen het bestreden besluit. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk omdat verweerder inmiddels op bezwaar had beslist. Wel oordeelde de rechtbank dat verweerder de proceskosten van eiser moest vergoeden vanwege de overschrijding van de beslistermijn.

Inhoudelijk oordeelde de rechtbank dat verweerder terecht het objectieve criterium toepaste, maar onvoldoende heeft gemotiveerd dat het belang van de Braziliaanse samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. De rechtbank nam mee dat eiser een blanco strafblad heeft, de strafzaak lang duurt, de voorlopige hechtenis was opgeheven wegens gebrek aan ernstige bezwaren, en eiser grote persoonlijke belangen heeft om naar Brazilië te reizen.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en gaf verweerder zes weken om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het besluit tot weigering van de VOG wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging en verweerder wordt veroordeeld tot proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummer: AMS 25/4297

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R. van der Hulle),
en

De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag van 24 september 2024 om een VOG [1] voor een visumaanvraag bij de Ambassade van de Federale Republiek Brazilië.
1.1.
Verweerder heeft de aanvraag met het primaire besluit van 19 februari 2025 afgewezen. Hiertegen heeft eiser op 20 maart 2025 bezwaar gemaakt. Met de brief van
9 mei 2025 heeft verweerder de beslistermijn verlengd tot 25 juni 2025.
1.2.
Eiser heeft verweerder op 26 en 27 juni 2025 een ingebrekestelling verstuurd. Op 21 juli 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar. Op 8 augustus 2025 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, waarin verweerder erkent dat de beslistermijn is overschreden.
1.3.
Met het bestreden besluit van 14 augustus 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.4.
Eiser heeft op 11 september 2025 laten weten dat hij het niet eens is met het bestreden besluit [2] . Op 16 oktober 2025 heeft hij de gronden van beroep aangevuld.
1.5.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep van eiser gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit
2. Verweerder heeft na het instellen van het beroep alsnog beslist op het bezwaar. Dat betekent dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep is, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, dan ook niet-ontvankelijk.
2.1.
Omdat eiser vanwege het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar wel terecht beroep heeft ingesteld, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten.
Het beroep van eiser gericht tegen het bestreden besluit
Achtergrond
3. Eiser is in 2013 getrouwd met een Braziliaanse vrouw. Eiser woont momenteel in Nederland en zijn vrouw woont in Brazilië om zorg te dragen voor haar dementerende moeder van 97 jaar oud. Verder hebben eiser en zijn vrouw een tempel gebouwd op eigen terrein waar het nodige onderhoud voor nodig is. Eiser wil graag naar Brazilië om bij zijn vrouw te zijn en om haar te ondersteunen in de zorg van haar moeder en om de tempel te onderhouden.
Besluitvorming
4. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de VOG-aanvraag van eiser afgewezen. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft verweerder de criteria toegepast die zijn neergelegd in de Beleidsregels VOG-NP-RP 2024 [3] . De aanvraag is beoordeeld op basis van het screeningsprofiel voor visum en emigratie. Bij dit screeningsprofiel worden de risico’s getoetst indien men voor kortere of langere duur in het buitenland wenst te verblijven. Getoetst wordt of de openbare orde van het desbetreffende land in gevaar komt indien betrokkene tot dat land wordt toegelaten. Voor dit screeningsprofiel geldt verder een terugkijkperiode van vier jaar. Omdat eiser in de periode van [datum 1] 2024 tot en met [datum 2] 2024 in voorlopige hechtenis heeft gezeten, mag verweerder de terugkijktermijn verlengen met één maand en 29 dagen. Verweerder heeft hierbij betrokken dat uit JDS [4] blijkt dat eiser in de periode van [datum 3] 2022 tot en met [datum 4] 2024 de sancties tegen Rusland heeft overtreden.
Beoordelingsvrijheid
5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder in het kader van de afgifte van een VOG een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Gelet hierop dient de rechtbank het bestreden besluit terughoudend te toetsen. Beoordeeld moet worden of verweerder in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat de gevraagde VOG diende te worden geweigerd.
Objectieve criterium
6. Allereerst stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat wordt voldaan aan het objectieve criterium. Daartoe stelt eiser onder meer dat de openstaande strafzaak niet meegenomen had mogen worden, omdat hier niet binnen twee jaar op is beslist en dit in strijd is met de redelijke termijn zoals volgt uit artikel 6 EVRM Pro [5] . Verder stelt eiser dat het delict waarvan hij verdacht wordt geen risico oplevert voor de Braziliaanse samenleving.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Het objectieve criterium houdt in dat de verweerder een VOG weigert als er binnen de terugkijktermijn justitiële gegevens over de aanvrager zijn aangetroffen, die – als ze worden herhaald – een risico vormen voor de functie waarvoor de VOG is aangevraagd. [6] In artikel 35, eerste lid, van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens staat dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens en in de beoordeling mogen worden betrokken. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling [7] kan een enkele verdenking van een strafbaar feit voldoende grondslag bieden voor de weigering van een VOG. [8] Bij deze aanvraag geldt een terugkijktermijn van vier jaar, die mag worden verlengd met de periode die iemand binnen deze vier jaar in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
6.2.
Het staat vast dat eiser binnen de terugkijktermijn in aanraking is gekomen met politie/justitie vanwege – kort gezegd – (de verdenking van) het overtreden van de sancties tegen Rusland in de periode van [datum 3] 2022 tot en met [datum 4] 2024. De rechtbank kan zich indenken dat het frustrerend moet zijn voor eiser dat het inmiddels al langer dan twee jaar duurt voordat er is beslist in zijn strafzaak en verweerder tot die tijd op basis daarvan het objectieve criterium blijft tegenwerpen. Het betekent echter niet dat verweerder deze openstaande zaak niet had mogen meenemen in zijn beoordeling. Dit volgt namelijk niet uit wet- en regelgeving of uit rechtspraak. Naar het oordeel van de rechter kan de lengte van de strafrechtelijke procedure wel een rol spelen bij de belangenafweging (het subjectieve criterium), waar de rechtbank later in deze uitspraak op ingaat. De rechtbank volgt verweerder verder in zijn standpunt dat het feit – indien eiser dit zou herhalen – een risico vormt voor de Braziliaanse samenleving. Dat een overtreding van het specifieke strafbare feit waar eiser van verdacht wordt in Brazilië minder merkbaar zal zijn, omdat Brazilië geen dergelijke sanctieregelen tegen Rusland kent, doet daar niet aan af. De rechtbank volgt verweerder namelijk in het standpunt dat het overtreden van economische wet- en regelgeving in zijn algemeenheid wel een risico voor de Braziliaanse samenleving kan opleveren. [9] De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat is voldaan aan het objectieve criterium. De beroepsgrond slaagt niet.
Subjectieve criterium
7. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat verweerder het subjectieve criterium onjuist heeft toegepast en de uitkomst van deze toepassing onjuist is. Eiser stelt namelijk dat de beslissing onvoldoende blijk geeft van een gemaakte belangenafweging.
7.1.
De rechtbank overweegt dat verweerder, ondanks dat voldaan is aan het objectieve criterium, toch over dient te gaan tot verstrekking van de VOG als het belang dat een aanvrager daarbij heeft zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico voor de samenleving. [10] In de belangenafweging wordt in ieder geval rekening gehouden met de manier van afdoening van de strafzaak, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het belang van het beschermen van de Braziliaanse samenleving zwaarder weegt dan het persoonlijke belang van eiser. Daartoe acht de rechtbank van belang dat eiser, los van de openstaande strafzaak, beschikt over een blanco strafblad. Verder staat niet ter discussie dat eiser inmiddels meer dan twee jaar in onzekerheid verkeert over de uitkomst van deze strafzaak en de verwachting is dat het nog even zal duren voordat eiser duidelijkheid krijgt. Zo is op zitting gebleken dat pas in oktober 2026 een eerste regiezitting zal worden gehouden en dat er nog geen tenlastelegging is gedeeld. Verder acht de rechtbank relevant dat de rechtbank Rotterdam op 15 maart 2024 de voorlopige hechtenis van eiser heeft opgeheven, omdat ernstige bezwaren niet, althans niet langer, aanwezig waren. Met andere woorden: er was op dat moment geen sprake (meer) van een sterke verdenking. Dat nu wel sprake is van een sterke verdenking, omdat de zaak wordt doorgezet en meer onderzoek is gedaan, heeft verweerder slechts gesteld en niet onderbouwd. Ook acht de rechtbank van belang dat eiser ruim een halfjaar voor zijn aanhouding zelf is teruggetreden als bestuurder, zich altijd meewerkend en transparant heeft opgesteld in het onderzoek en er geen enkele aanleiding is dat hij zich zou willen onttrekken aan zijn strafvervolging. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom gelet hierop het nog redelijk is om op basis van deze openstaande zaak de VOG-aanvraag te weigeren. Daar komt bij dat eiser grote persoonlijke belangen heeft om naar Brazilië te gaan. In de eerste plaats om bij zijn vrouw te zijn, die onder andere vanwege de zorg voor haar moeder in Brazilië dient te verblijven. Zoals eiser ter zitting heeft verduidelijkt staat hun huwelijk, door zijn afwezigheid, onder grote druk. Eisers aanwezigheid is daarnaast nodig, zodat hij zijn vrouw kan ondersteunen bij de verzorging van haar moeder en voor het onderhoud van hun tempel. Dat eiser nu ook voor kortere periodes in Brazilië kan verblijven doet daar niet aan af, omdat eiser, wanneer het slechter gaat met zijn schoonmoeder, voor langere tijd hulp moet kunnen bieden in Brazilië.
8. Omdat het beroep gegrond is behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel [11] en het zorgvuldigheidsbeginsel [12] . De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.
10. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is en vaststaat dat niet tijdig is beslist op het bezwaar moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De proceskosten voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). De proceskosten voor het beroep tegen het bestreden besluit stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De totale proceskostenvergoeding bedraagt € 2.335, -.
10.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dat is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het besluit van 14 augustus 2025;
- draagt verweerder op binnen 6 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, rechter, in aanwezigheid van mr.
L. Kooring, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
de griffier
de rechter,
is buiten staat deze uitspraak mede te ondertekenen.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verklaring omtrent het gedrag.
2.Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit.
3.Hierna: de Beleidsregels.
4.Justitieel Documentatie Systeem.
5.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.Zie paragraaf 3.1.3. van de Beleidsregels.
7.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 7 april 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:744).
9.Zie pagina 6 van het bestreden besluit, tweede alinea.
10.Zie paragraaf 3.1.4. van de Beleidsregels.
11.Zoals volgt uit artikel 7:12 van Pro de Awb.
12.Zoals volgt uit artikel 3:2 van Pro de Awb.