ECLI:NL:RVS:2021:744
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering verklaring omtrent gedrag voor chauffeurskaart op grond van subjectief criterium
De minister weigerde op 27 mei 2019 de aanvraag van appellant voor een verklaring omtrent gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart vanwege het objectieve criterium. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de afweging tussen het objectieve criterium, dat een risico voor de samenleving vaststelt, en het subjectieve criterium, waarbij wordt gekeken naar de persoonlijke omstandigheden van appellant. Appellant voerde aan dat de verdenkingen slechts één zaak betroffen en dat de strafzaak nog niet was afgedaan, terwijl het tijdsverloop sinds de feiten ruim anderhalf jaar bedroeg en hij geen andere antecedenten had.
De Raad van State oordeelde dat de minister terecht het belang van de samenleving zwaarder heeft laten wegen dan het belang van appellant bij afgifte van de VOG. De minister hield rekening met het korte tijdsverloop sinds het laatste justitiecontact en de ernst van de verdenkingen, waaronder deelname aan een criminele organisatie, drugshandel en witwassen. De weigering van de VOG is een preventief bestuursrechtelijk instrument dat mag worden gebaseerd op de enkele verdenking van strafbare feiten.
De Afdeling bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door lid van de enkelvoudige kamer A.W.M. Bijloos op 7 april 2021.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de weigering van de verklaring omtrent gedrag vanwege het zwaardere belang van de samenleving.