Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [woonplaats] , eiser
Huis voor Klokkenluiders, verweerder
Samenvatting
Procesverloop
Beoordeling door de rechtbank
niet-ontvankelijk verklaard, omdat die brief geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Indien aan een bestuursorgaan waaraan een verzoek is gericht, geen enkele bevoegdheid is toegekend in het kader van de uitvoering van de wettelijke regeling waarop het verzoek betrekking heeft en het ook geen bemoeienis heeft met de aan andere bestuursorganen opgedragen uitvoering en handhaving van deze wettelijke regeling, is de mededeling van dat bestuursorgaan dat het niet bevoegd is om uitvoering te geven aan het verzoek geen besluit. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Verweerder wijst in dit kader onder andere op de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020 [2] . Verweerder heeft geen wettelijke bevoegdheid om handhavend op te treden en heeft ook geen bemoeienis met een ander bestuursorgaan dat deze bevoegdheid wel heeft. De brief van 15 oktober 2024, waarmee verweerder heeft laten weten dat hij niet bevoegd is om handhavend op te treden tegen de omgevingsdienst, is daarom geen besluit waartegen bezwaar kan worden gemaakt. Het bezwaar van eiser tegen die brief is daarom niet-ontvankelijk.
Pfeiffer [3] , Adeneler [4] en
Marleasing [5] .
Pfeiffer. In dat arrest kwam het Hof ten aanzien van een richtlijnbepaling tot het oordeel dat deze voldeed aan de criteria voor rechtstreekse werking. De bepaling in kwestie legde de lidstaten namelijk in ondubbelzinnige bewoordingen een nauwkeurige en onvoorwaardelijke resultaatsverplichting op, inhoudende dat voor een gemiddelde wekelijkse arbeidstijd, inclusief overuren, een plafond van 48 uur gold. Dat de lidstaten een zekere beoordelingsmarge hadden ten aanzien van die bepaling, deed niet af aan het nauwkeurige en onvoorwaardelijke karakter daarvan, omdat precies kon worden vastgesteld welke minimale bescherming hoe dan ook geboden moest worden. Zo mocht een bepaalde referentieperiode in ieder geval niet langer dan twaalf maanden omvatten en mocht de bepaling alleen buiten toepassing worden gelaten wanneer voldaan was aan specifieke, in de richtlijn omgeschreven voorwaarden. [9]
15 oktober 2024 uitgelegd dat hij niet handhavend kan optreden omdat hij daartoe geen wettelijke bevoegdheid heeft. Met het bestreden besluit is verweerder bij dit standpunt gebleven. Verweerder heeft eiser niet belet om melding te doen van onder andere inbreuken op het Unierecht of hem verboden zich daarover uit te laten. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
Beslissing
mr. E.M. de Buur, griffier.