Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
“De kale huurprijs wordt jaarlijks per 1 juli (…) verhoogd met een percentage van 5%, met inachtneming van de daartoe geldende wettelijke bepalingen.”.
Rechtbank Amsterdam
De zaak betreft een geschil tussen verhuurder en huurder over de beëindiging van een huurovereenkomst en de betaling van huurverhogingen. De verhuurder vordert beëindiging van de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik en betaling van huurachterstanden, terwijl de huurder dit betwist.
De rechtbank oordeelt dat de verhuurder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend voor eigen gebruik nodig heeft. De medische verklaring is onvoldoende onderbouwd en de financiële situatie van de verhuurder is onduidelijk. Hierdoor wordt de vordering tot beëindiging en ontruiming afgewezen.
Daarnaast wordt het huurprijswijzigingsbeding van 5% jaarlijks als oneerlijk aangemerkt, omdat het het evenwicht tussen partijen te zeer verstoort en niet is toegelicht. Dit leidt tot vernietiging van het beding en afwijzing van de vordering tot betaling van huurachterstanden.
De verhuurder wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is gewezen door kantonrechter H.D. Coumou en op 8 januari 2026 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen tot beëindiging en ontruiming af en vernietigt het huurprijswijzigingsbeding van 5%.