ECLI:NL:RBAMS:2026:957

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
11639385
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:669 lid 1 BWArt. 7:669 lid 3 BWArt. 7:671 BWArt. 7:672 lid 11 BWArt. 7:682 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herstel arbeidsovereenkomst wegens onvoldoende herplaatsingsinspanningen na arbeidsongeschiktheid

De werkneemster verzocht om herstel van haar arbeidsovereenkomst na opzegging door de werkgever, de Gemeente Amsterdam, die een ontslagvergunning van het UWV had verkregen op grond van langdurige arbeidsongeschiktheid. Hoewel de bedrijfsarts en het UWV vaststelden dat de werkneemster nog arbeidsongeschikt was en niet binnen 26 weken zou herstellen, stelde de werkneemster dat zij niet meer arbeidsongeschikt was en dat er geen redelijke grond voor ontslag bestond.

De kantonrechter oordeelde dat de opzegging niet rechtsgeldig was omdat de werkgever onvoldoende inspanningen had verricht om de werkneemster te herplaatsen binnen de organisatie, terwijl herplaatsing volgens de werkgever zelf mogelijk zou moeten zijn. De kantonrechter nam daarbij mee dat de werkgever geen verweer voerde tegen de stelling dat herplaatsing mogelijk was en dat er geen re-integratie had plaatsgevonden.

De arbeidsovereenkomst werd hersteld met terugwerkende kracht vanaf de datum van het verzoek, 3 april 2025. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van loon vanaf die datum, vermeerderd met een gematigde wettelijke verhoging, en tot vergoeding van de proceskosten. De werkneemster werd tevens verplicht de reeds ontvangen transitievergoeding terug te betalen. De kantonrechter wees het verzoek om een voorlopige voorziening af omdat de procedure reeds was afgerond.

Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt hersteld wegens onvoldoende herplaatsingsinspanningen door de werkgever ondanks arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

RECHTBANKAMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer / rekestnummer: 11639385 \ EA VERZ 25-381
Beschikking van 19 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. E.E. Dekker,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE AMSTERDAM,
gevestigd te Amsterdam,
verwerende partij,
hierna te noemen: Gemeente Amsterdam,
gemachtigde: mr. C. Achthoven.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkneemster om herstel van de arbeidsovereenkomst na opzegging door de werkgever. De werkneemster stelt dat zij niet (meer) arbeidsongeschikt was en er dus geen redelijke grond voor ontslag aanwezig was, ondanks de ontslagvergunning van het UWV. De kantonrechter wijst het verzoek toe, ook al heeft de bedrijfsarts vastgesteld dat de werkneemster nog arbeidsongeschikt was en dat het niet aannemelijk was dat zij binnen 26 weken hersteld zou zijn en haar werk (al dan niet in aangepaste vorm) zou kunnen verrichten. De reden voor toewijzing is dat de werkgever zich niet voldoende heeft ingespannen om de werkneemster te herplaatsen, terwijl herplaatsing binnen de organisatie ook volgens de werkgever zelf mogelijk zou moeten zijn.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft op 3 april 2025 een verzoek gedaan om onder meer de arbeidsovereenkomst te herstellen. Gemeente Amsterdam heeft op 9 september 2025 een verweerschrift ingediend.
1.2.
De mondelinge behandeling is gehouden op 22 september 2025. [verzoeker] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Namens Gemeente Amsterdam zijn verschenen de heer [naam 1] (leidinggevende) en de heer [naam 2] (P&O adviseur), bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben daar hun standpunten toegelicht, de gemachtigde van [verzoeker] aan de hand van spreekaantekeningen, en vragen van de kantonrechter beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt.
Na verder debat is de procedure aangehouden voor het aanleveren van een uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg Amsterdam (RTG), vergezeld van toelichting zijdens partijen op de consequenties van die uitspraak.
1.3.
Op 16 oktober 2025 heeft Gemeente Amsterdam de uitspraak van het RTG overgelegd met toelichting. Op 21 oktober 2025 heeft [verzoeker] haar zienswijze betreffende de uitspraak van RTG toegezonden. Vervolgens heeft de kanontrechter bepaald dat er een beschikking wordt gewezen en hiervoor is een datum bepaald, die enige keren is aangehouden.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] , geboren op [geboortedatum] 1984, is op 15 juni 2017 in dienst getreden bij Gemeente Amsterdam. Laatstelijk heeft zij de functie [functienaam] bekleed met een loon van € 4.722,73 bruto per maand.
2.2.
Sinds 19 oktober 2021 is [verzoeker] arbeidsongeschikt geworden vanwege ziekte en heeft zij niet meer gewerkt.
2.3.
Op 3 april 2024 is in het kader van de WIA-beoordeling het arbeidsongeschiktheidspercentage van [verzoeker] door het UWV bepaald op 73,71% en is vastgesteld dat zij haar eigen werk niet meer kan doen.
2.4.
Het bezwaar van [verzoeker] tegen de WIA-beschikking is bij beslissing van 26 juni 2024 kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
2.5.
[verzoeker] heeft op 27 augustus 2024 voor het laatst het spreekuur van de bedrijfsarts van de arbodienst Zorg van de Zaak (hierna: de arbodienst) bezocht.
2.6.
Op 14 september 2024 heeft [verzoeker] per sms aan haar leidinggevende bericht dat zij volledig hersteld is en haar werkzaamheden wil hervatten. [verzoeker] is op kantoor verschenen op 16 september en 17 september 2024. [verzoeker] is beide dagen door haar leidinggevende weggestuurd. Per e-mails van 16 en 17 september 2024 heeft de leidinggevende meegedeeld aan [verzoeker] dat de herstelmelding niet wordt geaccepteerd en dat hij eerst advies wil van de bedrijfsarts en eventueel een deskundigen-advies van het UWV.
2.7.
De bedrijfsarts van de arbodienst heeft een zogeheten ‘Verklaring 26e week ontslagtoets’ afgegeven. In deze verklaring staat het volgende, voor zover van belang:
“(…)Op02-10-2024had[verzoeker](…) een spreekuurafspraak met [bedrijfsarts] .
(…)De medisch inhoudelijke geldigheidstermijn van deze verklaring is 6 maanden. Het isniette verwachten dat de medewerker weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid binnen de bovenvermelde termijn.(…) Het isniette verwachten dat de medewerker weer geschikt wordt voor de bedongen arbeid in aangepaste vorm binnen de bovenvermelde termijn.(…) De arbeidsbelastbaarheid is in vergelijking met de WIA-beoordeling (UWV) stabiel gebleven. Mogelijk zelfs iets verslechterd. (…)De werknemer gaat akkoord met de inhoud van deze verklaring.(…)”.
2.8.
Gemeente Amsterdam heeft op 29 oktober 2024 een aanvraag ontslagvergunning bij het UWV ingediend. [verzoeker] heeft verweer gevoerd tegen deze aanvraag op 8 november 2024.
2.9.
Op 1 november 2024 heeft [verzoeker] per e-mail bezwaar gemaakt bij de arbodienst tegen de door de bedrijfsarts opgestelde verklaring. [verzoeker] heeft meegedeeld dat ze niet op het spreekuur van 2 oktober 2024 is geweest en/of uitgenodigd en dat zij niet akkoord is met de inhoud van de verklaring.
2.10.
Ook heeft [verzoeker] een klacht ingediend tegen de bedrijfsarts van de arbodienst. In het klaagschrift van 7 november 2024 aan het RTG heeft [verzoeker] gesteld dat er een onjuiste verklaring door de bedrijfsarts is opgesteld zonder daar met haar van tevoren over te spreken en zonder haar te onderzoeken.
2.11.
Het UWV heeft bij beschikking van 11 december 2024 toestemming verleend aan Gemeente Amsterdam om de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] op te zeggen.
2.12.
[verzoeker] heeft een klacht ingediend op 23 december 2024 over de manier waarop de zaak is behandeld door het UWV.
2.13.
Op 2 januari 2025 heeft [verzoeker] aangifte gedaan tegen de bedrijfsarts wegens valsheid in geschrift.
2.14.
Gemeente Amsterdam heeft op 6 januari 2025 de arbeidsovereenkomst opgezegd met ingang van 4 februari 2025.
2.15.
Bij brief van 25 februari 2025 heeft het UWV naar aanleiding van de klacht van [verzoeker] de klachtonderdelen over schending van beginselen van hoor- en wederhoor en over zorgvuldigheid gegrond verklaard. Het UWV heeft onder meer als volgt overwogen:
“(…) Wij maken u erop attent dat de klachtprocedure niet kan leiden tot een andere beslissing of tot herziening van de beslissing. (…) De beslissing van 11 december 2024 blijft daarom in stand. (…) Gelet op het feit dat de reactie van werkgever gegeven is in het kader van een tweede ronde van hoor- en wederhoor, had het op de weg van AJD Amsterdam gelegen om deze reactie aan u voor te leggen en u in de gelegenheid te stellen om daarop te reageren. Dat dit niet heeft plaatsgevonden maakt dat wij uw klacht gegrond verklaren op het punt dat het beginsel van hoor-en wederhoor en zorgvuldigheid geschonden is.
(…)
Gelet op het feit dat ook na de reactie van uw werkgever onduidelijk is gebleven of het overgelegde actueel oordeel van de bedrijfsarts inhoudelijk juist is, had het op de weg van AJD Amsterdam gelegen om hier nader onderzoek naar te doen. (…)
Dat het op de weg van AJD Amsterdam had gelegen om nader onderzoek te doen, vloeit met name voort uit het feit dat u heeft gemotiveerd, en onderbouwd, dat u gedurende het spreekuur verlof had opgenomen en niet bent verschenen bij de bedrijfsarts. Dat dit niet heeft plaatsgevonden maakt dat wij uw klacht gegrond verklaren op het punt dat het beginsel van zorgvuldigheid geschonden is. (…)”
2.16.
Bij beslissing van 14 oktober 2025 heeft het RTG de door [verzoeker] ingediende klacht (2.12) tegen de bedrijfsarts die de ‘Verklaring 26e week ontslagtoets’ heeft afgegeven (2.7) in al haar onderdelen ongegrond verklaard. In de beslissing van het RTG staat, voor zover van belang:
“(…)5.4 Vast staat dat klaagster op 27 augustus 2024 bij de bedrijfsarts op het spreekuur is geweest. Ten onrechte is in de 26-weken verklaring vermeld dat het spreekuur op 2 oktober 2024 had plaatsgevonden. De bedrijfsarts heeft toegelicht dat zij de verklaring op die datum gereed heeft gemaakt, dat die datum dan door het systeem automatisch wordt aangemaakt en dat zij dit niet heeft gezien en daarom niet handmatig heeft gecorrigeerd. De bedrijfsarts heeft klaagster dus wel gezien (op het spreekuur) voordat zij de verklaring afgaf.
5.5
Dat er vervolgens ruim een maand is verstreken voordat de verklaring is afgegeven, is een gevolg van administratieve processen bij de betrokken organisaties en daarvoor is de bedrijfsarts niet verantwoordelijk. De bedrijfsarts heeft erkend dat het beter is dat zij in een geval als onderhavige nog contact opneemt met de werknemer in kwestie om te vernemen of er nog wijzigingen zijn opgetreden. Dat zij dit heeft nagelaten, is echter niet tuchtrechtelijk verwijtbaar mede in het licht van haar conclusie op 27 augustus 2024 dat in de medische situatie van klaagster die al drie jaar duurde, nog geen enkele verbetering was opgetreden en de omstandigheid dat de bedrijfsarts niet wist van de herstelmelding van klaagster.
5.6
Ook staat vast dat klaagster de verklaring niet heeft gezien voordat deze naar haar werkgever werd verzonden. Dat hoeft ook niet omdat het hier gaat om een verklaring van de bedrijfsarts met haar eigen conclusies waarvoor instemming van de werknemer niet nodig is. (…)
5.7
De lezingen van klaagster en de bedrijfsarts over wat er tijdens het spreekuur op 27 augustus 2024 is besproken, staan diametraal tegen over elkaar. Het college kan daarom alleen afgaan op hetgeen is opgenomen in de aantekeningen die de bedrijfsarts van het gesprek heeft gemaakt. Daarin staat dat re-integratie niet mogelijk is en voorlopig ook niet aan de orde lijkt en dat klaagster het daarmee eens is. Die conclusie sluit aan op het verdere dossier van klaagster waaruit volgt dat sprake is van depressie en PTSS, dat klaagster op de wachtlijst van het Sinaï centrum staat (en op 27 augustus 2024 nog steeds stond), dat het dagelijks leven van klaagster niet op orde is en dat haar situatie in drie jaar niet is verbeterd. In de aantekeningen staat ook dat na het derde ziektejaar in de regel ontslag wordt aangevraagd of een vaststellingsovereenkomst wordt aangeboden. De wens van klaagster om weer aan het werk te gaan staat niet in de aantekeningen en daaruit blijkt evenmin dat die wens in een eerder gesprek aan de orde is geweest.
5.8
Dat de 26 weken-verklaring expliciet is besproken, kan uit de aantekeningen niet worden opgemaakt. De passage waarin wordt verwezen naar die verklaring is immers pas toegevoegd nadat de bedrijfsarts navraag had gedaan en, zoals zij zelf heeft aangevoerd, begreep zij pas op 13 september 2024 dat die prognose moest worden opgemaakt. Zoals hiervoor al is overwogen, is de 26 weken-verklaring een door de bedrijfsarts op te maken verklaring waarin haar eigen conclusies zijn weergegeven en waarvoor de instemming van de werknemer niet nodig is.
Dat de bedrijfsarts op basis van hetgeen blijkens haar aantekeningen op het spreekuur van 27 augustus 2024 besproken is, heeft aangenomen dat klaagster het met die conclusies eens was, is begrijpelijk, mede omdat de bedrijfsarts niet wist dat klaagster zich inmiddels volledig hersteld had gemeld. Een tuchtrechtelijk verwijt kan de bedrijfsarts hiervan niet worden gemaakt. (…)”
2.17.
[verzoeker] heeft meegedeeld dat zij hoger beroep instelt tegen de beslissing van het RTG.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
Op grond van het voorgaande verzoekt [verzoeker] in een beschikking die uitvoerbaar bij voorraad is:
Primair:
  • een verklaring voor recht dat arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:669, lid 1 BW en 7:671 BW,
  • herstel van de arbeidsovereenkomst of Gemeente Amsterdam te veroordelen tot herstel van de arbeidsovereenkomst, op straffe van een dwangsom € 500,00 per dag met max € 10.000,00,
  • veroordeling van Gemeente Amsterdam tot betaling van het salaris inclusief de maximale wettelijke verhoging vanaf het moment dat de arbeidsovereenkomst wordt hersteld,
  • Gemeente Amsterdam op te dragen [verzoeker] tot haar bedongen werkzaamheden toe te laten binnen twee dagen na het wijzen van deze beschikking op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag met een maximum van € 10.000,00 voor iedere dag dat Gemeente Amsterdam daarmee in gebreke blijft,
Subsidiair:
  • Gemeente Amsterdam te veroordelen tot betaling van € 1.596.282,74 bruto aan billijke vergoeding op grond van artikel 7:682 lid 1 aanhef Pro en sub c BW, onder afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,00, met een maximum van € 5.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen;
  • Gemeente Amsterdam te veroordelen tot betaling van € 2.501,51 bruto, althans in goede justitie te bepalen bedrag, aan gefixeerde schadevergoeding op grond van artikel 7:672 lid 11 BW Pro, onder afgifte van een deugdelijke bruto-netto specificatie, een en ander op straffe van een dwangsom van € 200,00, met een maximum van € 5.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij in gebreke blijft om binnen drie dagen na betekening van het vonnis aan het in deze te wijzen vonnis te voldoen,
Primair en subsidiair
- Gemeente Amsterdam te veroordelen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de beschikking,
En bij wijze van voorlopige voorziening, voor de duur van de procedure, veroordeling van Gemeente Amsterdam
  • tot toelating van [verzoeker] tot de werkvloer teneinde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, op straffe van een dwangsom van € 500,00, met een maximum van € 10.000,00, voor iedere dag of gedeelte daarvan dat Gemeente Amsterdam in gebreke blijft om aan de beschikking te voldoen,
  • tot betaling van het gebruikelijke salaris vanaf 4 februari 2025 totdat de dienstbetrekking rechtsgeldig zal zijn geëindigd,
  • tot verstrekking van de salarisspecificatie vanaf 4 februari 2025 tot en met de rechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst waarin de hiervoor opgenomen betaling is verwerkt, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, met een maximum van € 5.000,00 voor elke dag dat Gemeente Amsterdam, na 5 dagen na het wijzen van de beschikking niet voldoet aan de beschikking,
  • tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging,
  • in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van de beschikking.
3.2.
Gemeente Amsterdam verzet zich tegen toewijzing van de verzoeken.
3.3.
De stellingen en verweren van partijen komen voor zover relevant bij de beoordeling aan de orde.

4.De beoordeling

Herstel van de arbeidsovereenkomst
4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Gemeente Amsterdam in strijd met de wet is en dus de arbeidsovereenkomst moet worden hersteld.
4.2.
Gemeente Amsterdam kon de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opzeggen als daar een redelijke grond voor was en herplaatsing in een andere passende functie niet mogelijk is binnen een redelijke termijn. Een redelijke grond om een arbeidsovereenkomst op te zeggen is als de werknemer vanwege arbeidsongeschiktheid niet langer in staat is de bedongen arbeid te verrichten mits een periode van 104 weken – bij Gemeente Amsterdam: 156 weken – is verstreken en aannemelijk is dat binnen 26 weken geen herstel zal optreden en dat binnen die periode de bedongen arbeid niet in aangepaste vorm kan worden uitgevoerd (de grond van artikel 7:669 lid 3 aanhef Pro en onder b BW, hierna de b-grond).
4.3.
Gemeente Amsterdam heeft het UWV op de b-grond om een ontslagvergunning voor [verzoeker] gevraagd, heeft deze gekregen en heeft de arbeidsovereenkomst met [verzoeker] opgezegd.
4.4.
Uit artikel 7:682 lid Pro 1, onderdeel a, BW volgt dat de kantonrechter op verzoek van een werknemer van wie de arbeidsovereenkomst is opgezegd met de toestemming van het UWV, de werkgever kan veroordelen de arbeidsovereenkomst te herstellen indien de opzegging in strijd is met artikel 7:669, lid 3, onderdeel a of b, BW.
4.5.
De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Er is een redelijke grond
4.6.
De arbeidsongeschiktheid van [verzoeker] volgt onder meer uit de 26 weken-verklaring van de bedrijfsarts. Die informatie is actueel genoeg vanwege het onderzoek op het spreekuur op 27 augustus 2024. Wel staan er storende onjuistheden in de 26 weken-verklaring. Het feit dat het spreekuur niet op 2 oktober 2024 heeft plaatsgevonden en dat – zoveel is duidelijk – [verzoeker] niet akkoord gaat met de inhoud van de 26 weken-verklaring, doet niet aan de inhoudelijke beoordeling van de bedrijfsarts af. In dat verband heeft de kantonrechter kennis genomen van de beslissing van het RTG (2.16) en de motivering daarvan. Anders dan [verzoeker] heeft betoogd is zij in de gelegenheid geweest om op die beslissing inhoudelijk te reageren en heeft zij dat ook gedaan. De bedrijfsarts heeft destijds onder meer het volgende aangetekend ten aanzien van [verzoeker] : re-integratie is niet mogelijk en lijkt voorlopig niet aan de orde, uit het dossier van [verzoeker] volgt dat sprake is van depressie en PTSS, [verzoeker] staat op de wachtlijst van het Sinaï centrum, het dagelijks leven van [verzoeker] is niet op orde en haar situatie is in drie jaar niet verbeterd.
4.7.
De door [verzoeker] overgelegde schriftelijke weergave van een werkhervatting voor 75% met datum 19 februari 2024, die door Gemeente Amsterdam is betwist, legt daar tegenover onvoldoende gewicht in de schaal. Immers is niet gebleken dat deze werkhervatting daadwerkelijk door [verzoeker] in de praktijk is gebracht.
4.8.
[verzoeker] was al ruim drie jaar ziek zonder dat re-integratie had plaatsgevonden, toen zij zich op 14 september 2024 ineens en in één keer volledig beter meldde. Voorstelbaar was dan ook dat Gemeente Amsterdam in verband met gerede twijfel over de herstelmelding een beoordeling door de bedrijfsarts wenste. [verzoeker] is echter niet meer op afspraken van de bedrijfsarts verschenen. Evenmin heeft zij een second opinion laten uitvoeren. Haar betoog dat een second opinion niet nodig was omdat de ‘Verklaring 26e week ontslagtoets’ geen “first opinion” vormde, wordt niet gevolgd. Juist omdat [verzoeker] het er niet mee eens was én zij zich plots volledig hersteld had gemeld, lag het op haar weg dat van een deskundig oordeel te voorzien.
4.9.
Ook de afronding van een behandeling, waarvan de GZ-psycholoog op 24 september 2024 aan de huisarts van [verzoeker] heeft kennis gegeven, volstaat niet. Daarbij is immers geen enkele toelichting gegeven van de consequenties daarvan voor de arbeidsongeschiktheid en zegt het niets over eventuele vervolgbehandeling, al dan niet bij het Sinaï centrum.
4.10.
De conclusie van de kantonrechter is dan ook dat door de bedrijfsarts actueel en adequaat beoordeeld is dat [verzoeker] nog arbeidsongeschikt was en dat het niet aannemelijk was dat zij binnen 26 weken hersteld zou zijn en haar werk (al dan niet in aangepaste vorm) zou kunnen verrichten. Daarmee was voldaan aan de eisen de b-grond.
4.11.
De gegronde klacht bij het UWV over geschonden hoor en wederhoor en zorgvuldigheid doet niet af aan de geldigheid van de beschikking van het UWV om toestemming te verlenen. Dat staat ook met zoveel woorden in de brief van het UWV (2.15).
4.12.
De kantonrechter stelt vast dat geen re-integratie heeft plaatsgevonden. Naar het oordeel van de kantonrechter is er geen aanleiding te veronderstellen dat [verzoeker] hersteld was. De kantonrechter volgt echter niet het standpunt van Gemeente Amsterdam, dat [verzoeker] gedurende haar drie jaar ziekte welhaast elke poging tot re-integratie vanuit Gemeente Amsterdam heeft gefrustreerd of getorpedeerd. Deze ferme stelling heeft Gemeente Amsterdam in haar verweerschrift van slechts één enkel voorbeeld voorzien, maar met geen enkel bewijsstuk onderbouwd.
Onvoldoende inspanningen voor herplaatsing
4.13.
Op grond van artikel 7:669 lid 1 BW Pro is voor een geldige opzegging naast het bestaan van een redelijke grond vereist dat Gemeente Amsterdam heeft voldaan aan haar herplaatsingsverplichting zoals neergelegd in artikel 7:669 lid 1 BW Pro jo artikel 9 en Pro 10 van de Ontslagregeling. Het gaat bij het herplaatsingsvereiste niet om een resultaatsverplichting van de werkgever, maar om wat in de gegeven omstandigheden in redelijkheid van de werkgever kan worden gevergd. Daarmee wordt de werkgever een zekere beoordelingsruimte gelaten. De herplaatsingsplicht gaat verder dan een betreffende werknemer te wijzen op en naar mogelijke openstaande vacatures en het vervolgens aan de werknemer overlaten om samen met andere sollicitanten mee te dingen naar de vacature. De werkgever moet een actieve rol vervullen, waarbij zij samen met de werknemer binnen redelijke marges binnen of buiten de eigen organisatie op zoek moet gaan naar een andere, passende functie. Daarbij wordt van zowel de werkgever als de werknemer een actieve, maar ook flexibele opstelling verwacht. Zeker van Gemeente Amsterdam, als een grote werkgever met allerlei dienstonderdelen mag een dergelijke actieve en flexibele opstelling verwacht worden.
4.14.
Namens [verzoeker] is betoogd dat de onmogelijkheid van herplaatsing niet aannemelijk is gemaakt. Dat is uitgebreid gemotiveerd en daarnaast onderbouwd aan de hand van destijds openstaande vacatures.
4.15.
Gemeente Amsterdam heeft hierover bij verweerschrift geen standpunt ingenomen. Gemeente Amsterdam heeft dus geen enkel verweer gevoerd. Integendeel, tijdens de mondelinge behandeling is desgevraagd meegedeeld dat bij 1700 arbeidsplaatsen een plek te vinden zou moeten zijn, ook bij een arbeidsgeschiktheidspercentage van (nog geen) 27%.
4.16.
Bij die stand van zaken kan de kantonrechter niet anders oordelen dan dat Gemeente Amsterdam niet aannemelijk heeft gemaakt dat herplaatsing binnen een redelijke termijn, al dan niet met behulp van scholing, in een andere passende functie niet mogelijk is of niet in de rede ligt. Gemeente Amsterdam heeft niet aan haar herplaatsingsplicht voldaan. Er is onvoldoende van inspanningen van de zijde van Gemeente Amsterdam op dit vlak gebleken.
4.17.
De kantonrechter gaat ook in dit verband niet mee met het door Gemeente Amsterdam ter zitting gestelde patroon van frustreren van re-integratiepogingen, voor zover dat tot het verweer zou strekken dat herplaatsing niet mogelijk is of niet in de rede ligt.
4.18.
Omdat Gemeente Amsterdam niet heeft voldaan aan de herplaatsingsplicht, was zij niet gerechtigd om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Gemeente Amsterdam heeft opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 BW Pro in verbinding met artikel 7:671 BW Pro, zodat de verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.
De arbeidsovereenkomst wordt hersteld
4.19.
Desgevraagd heeft [verzoeker] ter zitting volhard in haar wens om weer bij Gemeente Amsterdam aan de slag te gaan. De kantonrechter zal conform het primaire verzoek de arbeidsovereenkomst herstellen, op basis van dezelfde arbeidsvoorwaarden als voor de opzegging door Gemeente Amsterdam. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst herstellen met terugwerkende kracht, en wel met als ingangstijdstip de datum van indiening van het verzoekschrift oftewel 3 april 2025.
4.20.
Aangezien de arbeidsovereenkomst – met terugwerkende kracht – hersteld wordt binnen een termijn van zes maanden na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, telt de voorafgaande arbeidsovereenkomst mee voor het bepalen van de hoogte van een eventuele transitievergoeding bij eventuele beëindiging van de herstelde arbeidsovereenkomst. Als voorziening omtrent de rechtsgevolgen van de onderbreking van de arbeidsovereenkomst zal de kantonrechter daar tegenover wel bepalen dat de door Gemeente Amsterdam betaalde transitievergoeding door [verzoeker] moet worden terugbetaald.
4.21.
[verzoeker] heeft recht op loon vanaf de datum van herstel van de arbeidsovereenkomst. Het verzoek van [verzoeker] tot loonbetaling zal daarom vanaf dat moment eveneens worden toegewezen. De wettelijke verhoging zal ook worden toegewezen, omdat Gemeente Amsterdam te laat heeft betaald. De wettelijke verhoging zal worden gematigd tot 25%.
4.22.
Nu de arbeidsovereenkomst wordt hersteld door de kantonrechter, moet in beginsel [verzoeker] tot haar bedongen werkzaamheden worden toegelaten – en is zij gehouden om arbeid te verrichten. Aangezien [verzoeker] echter arbeidsongeschikt was, mogelijk nog arbeidsongeschikt is en er nog geen re-integratie heeft plaatsgevonden, acht de kantonrechter het geraden dat partijen in overleg gaan over een re-integratietraject met opbouw. In ieder geval zal de kantonrechter nu niet toelating tot de werkvloer op straffe van een dwangsom bevelen.
4.23.
Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen voor de duur van de procedure. Deze procedure is echter al geëindigd doordat een beslissing wordt genomen op het verzoek van [verzoeker] .
Proceskosten
4.24.
De proceskosten komen voor rekening van Gemeente Amsterdam, omdat Gemeente Amsterdam overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verzoeker] worden begroot op € 1.138,50 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 salaris gemachtigde en € 67,50 nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.25.
De verzochte wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst is opgezegd in strijd met artikel 7:669 lid 1 BW Pro jo. 7:671 BW,
5.2.
herstelt de arbeidsovereenkomst op basis van dezelfde arbeidsvoorwaarden als vóór de opzegging met ingang van 3 april 2025,
5.3.
bepaalt als voorziening in de zin van artikel 7:682 lid 6 BW Pro dat [verzoeker] de door Gemeente Amsterdam betaalde transitievergoeding aan Gemeente Amsterdam moet terugbetalen en veroordeelt [verzoeker] daartoe,
5.4.
veroordeelt Gemeente Amsterdam tot betaling aan [verzoeker] van haar maandloon van € 4.722,73 bruto vanaf 3 april 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging met een maximum van 25%,
5.5.
veroordeelt Gemeente Amsterdam in de proceskosten van € 1.138,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Gemeente Amsterdam niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt Gemeente Amsterdam tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.8.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.P.C. van Dam van Isselt, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
61291