ECLI:NL:RBAMS:2026:967

Rechtbank Amsterdam

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
13.050711.24
Instantie
Rechtbank Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 285b SrArt. 63 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak belaging zoon en moeder, veroordeling belaging ex-partner tot gevangenisstraf

De rechtbank Amsterdam behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van belaging van zijn ex-partner, zoon en moeder. Na inhoudelijke behandeling sprak de rechtbank verdachte vrij van de feiten betreffende zijn zoon en moeder wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.

Voor de belaging van zijn ex-partner oordeelde de rechtbank dat verdachte gedurende ruim elf maanden stelselmatig en wederrechtelijk contact zocht via diverse kanalen, waaronder tientallen telefoontjes, berichten via Whatsapp en e-mails, bezoeken aan haar werk en het volgen naar Brazilië. Dit gedrag maakte inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer met het oogmerk haar te dwingen iets te doen of te dulden. Verdachte had kennis van het contactverbod en handelde met voorwaardelijk opzet.

De rechtbank legde een gevangenisstraf van vier maanden op, rekening houdend met de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen, psychische problematiek van verdachte en de lange periode van voorlopige hechtenis. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerdere taakstraf werd afgewezen. De straf wordt verminderd met de tijd die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Uitkomst: Verdachte wordt veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf voor belaging van zijn ex-partner en vrijgesproken van belaging van zijn zoon en moeder.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13.050711.24
Parketnummer vordering tul: 23.002589.22
Datum uitspraak: 28 januari 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1968,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[BRP adres] ,
feitelijk verblijfadres:
[feitelijk verblijfsadres] ,
hierna: verdachte.

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de inhoudelijke behandelingen op de terechtzittingen op 20 november 2024 en 14 januari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,
mr. M.S. Gerritsen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.B. Stenger, naar voren hebben gebracht.

2.Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan
1
belaging van zijn ex-vriendin [slachtoffer 1] , in de periode van 27 maart 2023 tot en met 7 februari 2024 in Amsterdam en/of Brazilië,
2
belaging van zijn zoon [slachtoffer 2] , in de periode van 13 maart 2023 tot en met 26 januari 2024 in Amsterdam,
3
belaging van zijn moeder [slachtoffer 3] , in de periode van 1 april 2023 tot en met 1 februari 2024 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in
bijlage Idie aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze
verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

3.Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van de feiten 2 en 3. Het dossier bevat onvoldoende wettig bewijs voor een bewezenverklaring van die feiten. Ten aanzien van feit 3 kan bovendien niet vastgesteld worden dat de handelingen wederrechtelijk zijn geweest omdat [slachtoffer 3] ook meermalen contact heeft gezocht met verdachte. Wel is er voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te komen van feit 1.
4.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte vrijgesproken dient te worden van alle feiten.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2 bepleit de verdediging dat het dossier onvoldoende steun biedt aan de door de aangevers genoemde contactmomenten. Daarbij zijn deze handelingen naar hun aard, duur, frequentie en intensiteit onvoldoende om te kunnen kwalificeren als stelselmatig. Ten aanzien van feit 1 zijn de handelingen daarnaast niet aan te merken als wederrechtelijk aangezien verdachte ontkent geweten te hebben dat aangeefster geen contact wilde. Op zijn minst genomen ontbreekt hiermee opzet van verdachte. Met betrekking tot feit 3 is evenmin sprake van voldoende onderbouwing van de stelselmatigheid van de contactmomenten en staat niet vast dat de moeder van verdachte het contact onwenselijk vond.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak feiten 2 en 3
De rechtbank acht met de officier van justitie en de raadsvrouw niet bewezen hetgeen onder de feiten 2 en 3 is ten laste gelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
4.3.2.
Feit 1
Inleiding
Verdachte en aangeefster hadden sinds 1998 een relatie. Uit deze relatie zijn een zoon en een dochter geboren. In oktober 2021 heeft aangeefster de relatie verbroken. Er zijn verschillende instanties bij het gezin van verdachte en aangeefster betrokken geraakt, waaronder de Jeugdbescherming en politie en justitie, en verdachte heeft een contactverbod opgelegd gekregen voor aangeefster. Dit contactverbod was van kracht tot april 2023. Verdachte zou in de periode na de relatiebreuk veelvuldig en op verschillende wijzen contact met aangeefster hebben gezocht. Dit contact ging veelal over de omgang met hun dochter en over het terugkrijgen van spullen. Aangeefster heeft een logboek bijgehouden van de contactmomenten en uiteindelijk in augustus 2023 aangifte gedaan wegens belaging.
Wettelijk kader belaging
Voor een bewezenverklaring van belaging in de zin van artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), moet onder meer sprake zijn van het wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op een anders persoonlijke levenssfeer. Bij de beoordeling of daarvan sprake is, zijn verschillende factoren van belang: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder ze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.
Het kan daarbij gaan om herhaling van dezelfde activiteit, maar ook om het samenstel van een variëteit aan gedragingen. Niet vereist is dat het slachtoffer ten gevolge van de inbreuk op zijn of haar persoonlijke levenssfeer iets heeft gedaan of nagelaten wat hij of zij zonder die inbreuk niet zou hebben gedaan, mits in het algemeen de inbreuk geschikt en geëigend is een bepaalde opstelling teweeg te brengen. Het oogmerk om te dwingen iets te dulden kan volgen uit de bewezenverklaarde handelingen waaruit kan worden afgeleid dat het slachtoffer geen keuze wordt gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de belager.
De rechtbank heeft te beoordelen of de in de ten laste gelegde periode genoemde
handelingen in samenhang bezien strafbare belaging opleveren.
Bewezen gedragingen
Uit de aangifte en de overige in
bijlage IIopgenomen bewijsmiddelen, blijkt dat verdachte na het einde van het contactverbod in april 2023 op verschillende manieren contact heeft gezocht met aangeefster.
Verdachte heeft aangeefster maandenlang tientallen malen gebeld. Verdachte heeft via Whatsapp meerdere berichten naar aangeefster gestuurd en heeft via e-mails veelvuldig contact met haar gezocht. In deze berichten en e-mails deelde verdachte onder andere dat hij graag contact wil en dat het zo niet verder kan. Verdachte heeft spraakberichten en een videobericht aan aangeefster gestuurd waarin hij deelt zich in een heel zware situatie te bevinden door het handelen van aangeefster en dat hij zich niet zou laten chanteren in deze ‘terreur-oorlog’. Aangeefster heeft hem geblokkeerd op verschillende kanalen en aangegeven geen contact te willen met verdachte. Aangeefster wilde op een gegeven moment met hun dochter naar Brazilië reizen. Verdachte gaf geen toestemming voor deze reis. Aangeefster heeft vervangende toestemming via de rechter verkregen. Verdachte heeft vervolgens zijn ex-vriendin en dochter naar Brazilië gevolgd. Eenmaal daar heeft hij de ouders van zijn ex-vriendin bij hen thuis opgezocht. Verdachte heeft aangeefster ook op haar werk opgezocht.
Is er door de bewezen gedragingen sprake van wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster met het oogmerk aangeefster te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen?
Verdachte heeft in de tenlastegelegde periode van ruim elf maanden op verschillende platforms tientallen berichten naar aangeefster gestuurd onder meer met een inhoud zoals weergegeven in de bewijsmiddelen, hij heeft haar in elk geval in de periode oktober 2023-februari 2024 179 maal gebeld, is bij haar werk langs geweest en heeft haar zelfs gevolgd naar Brazilië waar hij contact zocht met haar ouders. Deze gedragingen moeten in samenhang bezien naar hun aard, duur, frequentie en intensiteit worden gekwalificeerd als stelselmatige handelingen die inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster.
Na de relatiebreuk in 2021 zijn partijen als politie, justitie en Jeugdbescherming betrokken geraakt bij het gezin van verdachte en aangeefster en is aan verdachte een contactverbod met aangeefster opgelegd. De rechtbank stelt op basis hiervan vast dat verdachte al vrijwel direct na de relatiebreuk in 2021 wist dat aangeefster toen geen contact met hem wilde. Aangezien verdachte deze wetenschap toen had en daarna toch is doorgegaan met het zoeken van contact met aangeefster, betekent dat dat hij in de tenlastegelegde periode op zijn minst genomen voorwaardelijk opzet heeft gehad op het maken van een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer. Het verweer van de raadsvrouw dat dit opzet ontbreekt, wordt dan ook verworpen.
Het oogmerk om haar te dwingen iets te dulden en te doen volgt naar het oordeel van de rechtbank uit hierboven bewezen geachte gedragingen waaruit kan worden afgeleid dat aangeefster geen keuze werd gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met verdachte. Het verweer van de raadsvrouw dat hier geen sprake van is, wordt dan ook verworpen.
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van de aan verdachte ten laste gelegde belaging.
Vrijspraak van enkele gedragingen
De rechtbank vindt de overige in de tenlastelegging genoemde gedragingen niet bewezen. Daarbij gaat het allereerst om de handelingen waarbij contact is gezocht met de dochter van verdachte en aangeefster. Tenlastegelegd is dat verdachte via Instagram berichten heeft gestuurd aan hun dochter, dat hij zich bij de school en de woning van een vriendin van die dochter heeft opgehouden en dat hij die dochter meermalen op straat heeft aangesproken. Bij deze contactmomenten is niet duidelijk geworden dat het doel van verdachte was om contact met aangeefster te leggen, maar lijkt contact met hun dochter centraal te hebben gestaan. Hiermee ontbreekt ten aanzien van deze gedragingen het ten laste gelegde opzet op het maken van een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Daarnaast ziet de rechtbank onvoldoende bewijs voor de onderdelen van de tenlastelegging die zien op het zich ophouden rond de woning van aangeefster en het bellen naar de organisatie waar aangeefster werkzaam is. Van deze ten laste gelegde gedragingen zal verdachte worden vrijgesproken.

5.De bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte
1
in de periode van 27 maart 2023 tot en met 7 februari 2024 te Amsterdam en Brazilië,
wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders
persoonlijke levenssfeer, te weten die van zijn ex-vriendin [slachtoffer 1]
met het oogmerk die [slachtoffer 1] , te dwingen iets te doen en te dulden door in voornoemde periode telkens
- die [slachtoffer 1] e-mails toe te sturen en
- die [slachtoffer 1] via Whatsapp chatberichten en spraakberichten en een videobericht te sturen en
- die [slachtoffer 1] meermalen te bellen en de voicemail in te spreken en
- zich eenmaal zonder redelijk doel in het pand van de organisatie waar die [slachtoffer 1] werkzaam is op te houden en
- die [slachtoffer 1] en haar dochter achterna te reizen naar Brazilië en in Brazilië op bezoek te gaan bij de ouders van die [slachtoffer 1] .

6.De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7.De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8.Motivering van de straf

8.1.
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2.
Het strafmaatverweer van de verdediging
De verdediging heeft verzocht bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte bijna een jaar in voorlopige hechtenis heeft gezeten voor de tenlastegelegde feiten. Een zo kort mogelijk gevangenisstraf is in dit geval passend, in ieder geval lager dan de periode die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van zijn ex-vriendin, [slachtoffer 1] , door gedurende een periode van 11 maanden stelselmatig contact met haar te zoeken, haar werk te bezoeken en haar achterna te reizen naar Brazilië. De berichten waren vaak indringend van aard. Hiermee heeft verdachte herhaaldelijk inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer. Dergelijke feiten brengen gevoelens van angst bij het slachtoffer en naasten teweeg, zoals ook is gebleken uit de aangifte en het dossier. Daarnaast is dit gedrag van verdachte erg belastend geweest voor het welzijn van de kinderen van verdachte en aangeefster. Daarbij is bekend dat verdachte eerder een contactverbod ten aanzien van aangeefster heeft gekregen. De aanhoudendheid waarmee verdachte contact probeerde te houden met het slachtoffer acht de rechtbank zorgwekkend. Verdachte heeft blijkbaar niet beseft wat zijn gedrag teweegbracht bij het slachtoffer en haar omgeving. Dat verdachte meende recht te hebben op zijn spullen en contact met zijn dochter, levert geen enkele rechtvaardiging op voor dit gedrag.
De ernst van de feiten, zoals hierboven beschreven, rechtvaardigen een gevangenisstraf van tenminste 5 maanden.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie (het strafblad) van verdachte van 17 november 2025. Hieruit blijkt dat verdachte op 26 april 2023 nog is veroordeeld voor huiselijk geweld, waaronder geweld tegen het slachtoffer in onderhavige zaak. Dat aangeefster na deze veroordeling opnieuw slachtoffer is geworden van verdachte weegt de rechtbank in strafverzwarende zin mee.
Daarnaast heeft de rechtbank gekeken naar het Pro Justitia-rapport van 19 augustus 2025, opgesteld door mr. drs. R.A. Sterk, Psycholoog. Hieruit blijkt, kort samengevat, het volgende. Bij verdachte is sprake van een persisterende depressieve stoornis, waarbij verdachte afhankelijke trekken vertoont en een beperkte emotionele draagkracht heeft. Het beeld van betrokkene is echter summier gebleven. De psycholoog is van mening dat de sombere stemming van verdachte tezamen met zijn afhankelijke persoonlijkheidstrekken en gebrekkige emotionele draagkracht van invloed zijn geweest op zijn gedrag gedurende de periode van de feiten. Verdachte moet echter wel in staat worden geacht om de wederrechtelijkheid van zijn handelen in te zien en was ook in staat zich te onttrekken aan de invloed van de psychische problematiek. Hij zocht steun bij zijn familie en heeft door middel van zijn paniekerige handelen mogelijk geen goed zicht gehad op het effect van zijn gedrag op anderen. De psycholoog adviseert dan ook verdachte de handelingen in enigszins verminderde mate toe te rekenen.
De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare. Het bewezen
verklaarde kan verdachte dan ook slechts in enigszins verminderde mate worden toegerekend. De rechtbank houdt hier in strafverlagende zin rekening mee bij het bepalen van de straf.
Ook heeft de rechtbank gekeken naar het reclasseringsadvies van 12 januari 2026, opgesteld door [naam] , reclasseringswerker bij Reclassering Nederland. Hieruit blijkt, kort samengevat, het volgende. Bij verdachte is sprake van een aantal recidiverisico-verhogende factoren, waaronder relationele problematiek en persoonlijkheidsproblematiek. Daarbij is sprake van weinig beschermende factoren. Verdachte heeft bij de reclassering aangegeven dat niet hij, maar aangeefster, psychologische hulp nodig heeft. Hij staat verder in principe wel open voor praktische hulp, bijvoorbeeld met betrekking tot het leren van de Nederlandse taal en het vinden van een woning. De reclassering ziet hierin geen begeleidingsmogelijkheden.
Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij de uitkomsten van bovengenoemde rapporten herkent aangezien het in en kort na de tenlastegelegde periode niet goed met hem ging. Het gaat nu naar eigen zeggen een stuk beter. Hij verklaart tijdelijke huisvesting, een baan en een sterk sociaal netwerk te hebben.
Verdachte heeft 362 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht.
Strafoplegging
De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden aanleiding bestaat om bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.
Gelet op al het voorgaande legt de rechtbank verdachte een gevangenisstraf op voor de duur van 4 maanden.

9.De vordering tot tenuitvoerlegging

Verdachte is bij arrest van het Gerechtshof Amsterdam op 23 april 2023 in de zaak met parketnummer 23.002589.22 veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren, waarvan 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 mei 2023.
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de bijzondere voorwaarden opgeheven dienen te worden omdat de reclassering geen begeleidingsmogelijkheden meer ziet. Daarbij dient de proeftijd met één jaar verlengd te worden.
De verdediging geeft aan zich te kunnen vinden in een verlenging van de proeftijd.
De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen. Toewijzing van de vordering en/of verlenging van de proeftijd acht de rechtbank niet opportuun. Daarbij betrekt de rechtbank dat de tijd die verdachte in de onderhavige strafzaak in voorarrest heeft doorgebracht veel langer is geweest dan de straf die hem bij dit vonnis wordt opgelegd. Deze straf is niet te verrekenen met de tenuitvoerlegging van de bij arrest opgelegde straf.

10.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 63 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

11.Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart het onder 2 en 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
belaging
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van
4 (vier) maanden.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging.
Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.M. Loots, voorzitter,
mrs. C.P.E. Meewisse en D. Bode, rechters,
in tegenwoordigheid van L.E. Poel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 januari 2026.
[…]

3.[…]

  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]
  • […]