ECLI:NL:RBARN:2003:AF5043
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens nalaten loonvordering ondanks rechtsvermoeden arbeidsomvang
Eiser ontvangt sinds december 2000 een WW-uitkering gebaseerd op 40,75 uren per week. Voorafgaand had hij contracten voor minimaal 100 uur per vier weken, maar vanaf februari 2001 een contract voor minimaal acht uur per vier weken. Verweerder stelde vast dat eiser feitelijk gemiddeld 24,52 uren per week werkte en weigerde daarom vanaf juli 2001 de WW-uitkering voor dat aantal uren.
Verweerder meende dat eiser het rechtsvermoeden van artikel 7:610b BW moest inroepen bij zijn werkgever en, indien nodig, een loonvordering bij de kantonrechter moest instellen. Eiser stelde dat dit niet van hem kon worden verlangd omdat het contract duidelijk acht uur per vier weken garandeerde en de werkgever het rechtsvermoeden had weerlegd.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht van eiser kon verlangen het rechtsvermoeden in te roepen en een loonvordering in te stellen, gezien de feitelijke arbeidsomvang die niet was gewijzigd ondanks het contract. Het nalaten hiervan werd als benadelingshandeling aangemerkt, rechtvaardigend dat de WW-uitkering werd geweigerd. De opgelegde maatregel was proportioneel en in overeenstemming met de wettelijke voorschriften.
Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en de blijvende weigering van de WW-uitkering gehandhaafd.