ECLI:NL:RBARN:2003:AF6125
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens suppletieregeling en fictieve opzegtermijn
Eiser, sinds 1983 in dienst bij zijn werkgever, heeft een arbeidsovereenkomst die per 1 december 2000 door de kantonrechter is ontbonden. Hij vroeg WW-uitkering aan vanaf die datum, maar het UWV weigerde deze tot 1 maart 2001 toe te kennen vanwege een fictieve opzegtermijn die werd berekend op basis van een suppletieregeling.
Eiser stelde dat de fictieve opzegtermijn al was voldaan omdat hij vanaf december 1999 was vrijgesteld van werk en dat de suppletieregeling pas bij toekenning van de WW-uitkering wordt uitgekeerd. De rechtbank oordeelde dat de suppletieregeling als inkomen in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking moet worden aangemerkt en dat de opzegtermijn niet eerder was voldaan.
De rechtbank vernietigde het bestreden besluit omdat het UWV de suppletieregeling onjuist had toegerekend aan de periode van 1 december 2000 tot 1 maart 2001. Desondanks liet de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit in stand omdat de suppletieregeling toereikend was om de fictieve opzegtermijn te dekken.
Verder veroordeelde de rechtbank het UWV tot vergoeding van de proceskosten van eiser en het betaalde griffierecht. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WW-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.