ECLI:NL:RBARN:2005:AU1305
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling erfgenaamschap en voortzetting procedure na overlijden eiser in erfrechtzaak
In deze civiele erfrechtzaak stond de procedure stil na het overlijden van de eiser op 5 mei 1999. De procedure werd geschorst vanwege de toelating van gedaagde tot de schuldsaneringsregeling en later opnieuw wegens het overlijden van de eiser. De zaak werd hervat na diverse verzoeken van partijen.
Het incident betrof de vraag of twee betrokkenen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2], als erfgenamen van de overleden eiser konden worden aangemerkt. Beide betwistten hun erfgenaamschap; [gedaagde 1] stelde de nalatenschap te hebben verworpen en [gedaagde 2] ontkende erfgenaam te zijn op grond van een langstlevende-testament.
De rechtbank overwoog dat de kwalificatie van gedragingen van [gedaagde 1] voorafgaand aan de verwerping essentieel is voor het bepalen van haar erfgenaamschap. Indien zij daden van aanvaarding heeft verricht, kan zij niet meer verwerpen. Voor [gedaagde 2] geldt dat het niet maken van een keuze omtrent aanvaarding of verwerping niet leidt tot verlies van erfgenaamschap.
De rechtbank gelastte een comparitie van partijen om nadere inlichtingen te verkrijgen over het erfgenaamschap en de voortzetting van de procedure, en hield verdere beslissing aan.
Uitkomst: De rechtbank gelast een comparitie om het erfgenaamschap te onderzoeken en houdt verdere beslissing aan.