ECLI:NL:RBARN:2005:AU4901
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Minderjarige veroordeeld tot vergoeding immateriële schade na verkrachting
De rechtbank Arnhem heeft op 24 augustus 2005 geoordeeld in een civiele procedure waarin de wettelijk vertegenwoordigers van een minderjarig slachtoffer een onrechtmatige daad stelden jegens haar neef, die haar op 29 juni 2002 verkrachtte toen zij 10 jaar oud was en hij 14. De kinderrechter had de minderjarige reeds veroordeeld tot een voorwaardelijke jeugddetentie.
De ouders van de minderjarige dader beriepen zich op de disculpatiemogelijkheid van art. 6:169 lid 2 BW Pro, stellende dat zij geen verwijt treft omdat zij de gedraging niet konden voorkomen. De rechtbank stelde vast dat de ouders niet op de hoogte waren van enige relatie tussen de kinderen en dat zij redelijkerwijs niets konden doen om de verkrachting te verhinderen.
De rechtbank oordeelde dat de minderjarige zelf aansprakelijk is voor de onrechtmatige daad op grond van art. 6:162 BW Pro en kende een immateriële schadevergoeding van €3.500 toe, gebaseerd op vergelijkbare gevallen en het behandeltraject van het slachtoffer. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de datum van sommatie. De proceskosten werden gecompenseerd vanwege de familieband en deels gelijk en deels ongelijk stellen van partijen.
Uitkomst: De minderjarige is veroordeeld tot betaling van €3.500 smartengeld wegens verkrachting; zijn ouders zijn vrijgesteld van aansprakelijkheid.