ECLI:NL:RBARN:2007:BA0318
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C. van Linschoten
- Rechtspraak.nl
Fictieve opzegtermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht
Eiser heeft een WW-uitkering aangevraagd, maar het UWV heeft deze geweigerd tot en met 31 mei 2006, omdat de fictieve opzegtermijn volgens hen start op 4 april 2006, de dag na de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter. De kantonrechter had de arbeidsovereenkomst met terugwerkende kracht tot 1 april 2006 ontbonden.
Eiser betoogde dat de fictieve opzegtermijn moet aanvang nemen op de datum van de ontbinding zelf, dus 1 april 2006, waardoor hij per 1 mei 2006 recht zou hebben op WW. De rechtbank oordeelde echter dat de wetstekst van artikel 16, derde lid, WW ondubbelzinnig bepaalt dat de fictieve opzegtermijn begint op de dag volgend op de datum van de ontbindingsbeschikking, ongeacht terugwerkende kracht.
De rechtbank verwees naar de wetsgeschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever bewust heeft gekozen voor de datum van de beschikking als startpunt. De stelling van eiser dat de kantonrechter niet met terugwerkende kracht mag ontbinden, maakte geen verschil. De fictieve opzegtermijn eindigde derhalve op 31 mei 2006, waardoor eiser pas per 1 juni 2006 recht heeft op WW.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank vond geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de fictieve opzegtermijn aanvangt op de dag na de ontbindingsbeschikking, waardoor de WW-uitkering pas per 1 juni 2006 ingaat.