ECLI:NL:RBARN:2007:BA2074
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek uitgestelde loonheffing werknemersopties op grond van artikel 10a Wet LB
Eiser diende beroep in tegen de inhouding van loonheffing in 2005 over de afkoop van werknemersopties die hem in 2001 waren toegekend. Hij stelde dat er geen rechtsgeldig verzoek tot uitstel van belastingheffing was ingediend conform artikel 10a van de Wet op de loonbelasting 1964, en dat hij ongelijk werd behandeld ten opzichte van collega’s die wel uitstel kregen.
De rechtbank stelde vast dat eiser en zijn werkgever in 2001 gezamenlijk een verklaring hadden ondertekend waarin was overeengekomen de belastingheffing uit te stellen tot het moment van uitoefening of vervreemding van de opties. Hoewel geen ontvangstbewijs van het verzoek bij de Belastingdienst aanwezig was, concludeerde de rechtbank dat partijen hadden gehandeld alsof het verzoek rechtsgeldig was ingediend, onder meer doordat er destijds geen loonheffing was ingehouden.
De rechtbank legde de bewijslast bij eiser om aannemelijk te maken dat geen verzoek was ingediend, maar hij slaagde hier niet in. Ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat geen sprake was van een bewust beleid van ongelijke behandeling en eiser onvoldoende aantoonde dat andere gelijke gevallen anders waren behandeld.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan op 15 februari 2007 door rechter J.J. Catsburg.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de inhouding van loonheffing over werknemersopties wordt ongegrond verklaard.