ECLI:NL:RBARN:2008:BC6861
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid voor geweldpleging en mishandeling tijdens vechtpartij
De rechtbank Arnhem behandelde een civiele zaak waarin de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie) eiser was tegen drie gedaagden, waaronder gedaagde sub 3. De zaak betrof de aansprakelijkheid voor een vechtpartij waarbij mishandeling van een betrokkene had plaatsgevonden. De Staat baseerde haar vordering op het strafvonnis van 21 januari 2005, waarin dwingend bewijs was geleverd dat gedaagde sub 3 aanwezig was en een wezenlijke bijdrage had geleverd aan de geweldpleging.
Tijdens de civiele procedure werden diverse getuigen gehoord. Getuigen aan de zijde van gedaagde sub 3 verklaarden dat hij het veld spoedig na het uitbreken van de vechtpartij had verlaten en niet actief had deelgenomen. Daartegenover stonden verklaringen van getuigen aan de zijde van de Staat die stelden dat gedaagde sub 3 vanaf het begin actief betrokken was bij het geweld, onder meer door te schoppen. De rechtbank achtte de verklaringen van de Staat overtuigender en concludeerde dat gedaagde sub 3 niet was geslaagd in het ontzenuwen van het dwingende bewijs.
Op grond van artikel 6:166 BW Pro werd gedaagde sub 3, samen met de andere gedaagden, aansprakelijk gehouden voor de gevolgen van de mishandeling. De rechtbank wees de vordering van de Staat toe, waaronder vergoeding van loonkosten en kosten van geneeskundige behandeling en revalidatie. Tevens werd gedaagde sub 3 hoofdelijk veroordeeld tot betaling van deze bedragen, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.
Het vonnis werd in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2008 door de rechtbank Arnhem, sector civiel recht, waarbij het vonnis uitvoerbaar bij voorraad werd verklaard.
Uitkomst: Gedaagde sub 3 is aansprakelijk gesteld en hoofdelijk veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en kosten aan de Staat.