ECLI:NL:RBARN:2008:BD1934
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bewijs en matiging boete bij financieringsvoorbehoud in koopovereenkomst
In deze civiele procedure stond centraal of de termijn voor het inroepen van het financieringsvoorbehoud in een koopovereenkomst was verlengd tot nader order. De gedaagde voerde aan dat zij tijdig een beroep op de ontbindende voorwaarde had gedaan, mede op basis van verklaringen van getuigen en haar eigen adviseur. De rechtbank stelde vast dat de verklaringen van de getuigen uiteenliepen en dat geen van hen kon bevestigen dat een verlenging tot nader order was overeengekomen.
De rechtbank hanteerde artikel 164 lid 2 Rv Pro, waarbij de verklaring van de gedaagde geen zelfstandig bewijs oplevert tenzij ter aanvulling van onvolledig bewijs. De verklaring van de gedaagde was bovendien gebaseerd op horen zeggen en werd daardoor als zwak bewijs beoordeeld. De enkele fax van 15 december 2006 waarop een beroep op de ontbindende voorwaarde zou zijn gedaan, werd door een getuige tegengesproken en ontbrak in het dossier.
De rechtbank concludeerde dat de gedaagde niet is geslaagd in het bewijs dat de ontbindende voorwaarde tijdig was ingeroepen, zodat de koopovereenkomst niet binnen de overeengekomen termijn was ontbonden. De eiser had de overeenkomst rechtsgeldig ontbonden wegens toerekenbare tekortkoming, waardoor de boete in beginsel verschuldigd is.
De gedaagde stelde subsidiair dat de boete gematigd moest worden wegens buitensporigheid. De rechtbank verwees de zaak naar de rol voor een akte van de eiser waarin deze zich moet uitlaten over de verkoopstatus van het pand en de omvang van de geleden schade, ter beoordeling van een eventuele matiging van de boete. De verdere beslissing werd aangehouden.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de ontbindende voorwaarde niet tijdig is ingeroepen en wijst het verweer van gedaagde af; de zaak wordt aangehouden voor nadere onderbouwing van schade en mogelijke matiging van de boete.