ECLI:NL:RBARN:2008:BD2543
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling waardering renteloze vordering bij verbreking fiscale eenheid
Eiseres vormde een fiscale eenheid met haar dochtervennootschap Holding B.V. en had per 31 december 1997 een renteloze vordering van ƒ 1.000.000 op deze vennootschap. Na een management buy-out op 15 april 1998 verkocht eiseres haar aandelen in Holding B.V. voor ƒ 1 aan de personal holdings van twee heren, waarbij de vordering werd overgedragen voor ƒ 100.000. Dit leidde tot een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1998.
De kern van het geschil was of eiseres de vordering per 1 januari 1998 terecht had gewaardeerd op nominale waarde. De rechtbank oordeelde dat verweerder niet hoefde te twijfelen aan de aangifte en dat er geen nieuw feit was voor navordering. De 13e standaardvoorwaarde fiscale eenheid schrijft voor dat vorderingen niet boven bedrijfswaarde mogen worden gewaardeerd.
De rechtbank stelde vast dat de bedrijfswaarde van de vordering op de datum van verbreking van de fiscale eenheid niet hoger was dan de overdrachtsprijs van ƒ 100.000. Eiseres kon niet aannemelijk maken dat de waarde op dat moment hoger was. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag gehandhaafd.
Uitkomst: De navorderingsaanslag vennootschapsbelasting over 1998 wordt gehandhaafd omdat de bedrijfswaarde van de vordering niet hoger was dan de overdrachtsprijs.