Uitspraak
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof te Amsterdamvan 11 juli 1984 betreffende de aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[Z]
Hoge Raad
Belanghebbende, een besloten vennootschap, kocht in 1980 een monumentenpand voor f 639.508 inclusief aankoopkosten. Zij hanteerde als waarderingsstelsel de kostprijs verminderd met afschrijvingen dan wel de bedrijfswaarde indien aantoonbaar lager. Het Hof Amsterdam stelde de bedrijfswaarde per 31 december 1980 vast op f 460.000, gebaseerd op een taxatierapport, en stond de afwaardering toe.
De Staatssecretaris stelde cassatie in en betoogde dat het pand binnen de onderneming de waarde had van de aankoopprijs minus afschrijvingen, omdat geen bewijs was geleverd dat de lagere marktwaarde ook de bedrijfswaarde weerspiegelde. De Hoge Raad oordeelde dat de bedrijfswaarde de waarde is die een verkrijger bij overname van de onderneming aan het activum toekent, uitgaande van voortzetting van de onderneming. Voor een onderneming tot exploitatie van onroerend goed is de marktwaarde het uitgangspunt, maar deze moet worden verhoogd met overdrachtskosten.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof omdat het Hof geen rekening had gehouden met de overdrachtskosten bij de waardering van de bedrijfswaarde. De zaak werd terugverwezen voor nader onderzoek naar de hoogte van deze kosten. De waardering van de marktwaarde door het Hof werd als feitelijk juist bevestigd. De Hoge Raad benadrukte dat de lagere marktwaarde in dit geval wel degelijk kan leiden tot een lagere bedrijfswaarde, mits de overdrachtskosten worden betrokken.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en verwijst de zaak terug voor nader onderzoek naar overdrachtskosten bij de waardering van de bedrijfswaarde.