ECLI:NL:RBARN:2009:BH6008
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering alleenstaande-ouderkorting wegens onvoldoende onderhoud van zoon
Eiser, een weduwnaar die in 2006 een huishouden voerde met zijn zoon, vorderde de toekenning van de alleenstaande-ouderkorting bij de belastingaanslag 2006. De Belastingdienst had deze korting geweigerd omdat de zoon een netto-inkomen had dat hoger was dan het minimumloon, waardoor eiser niet voldeed aan de eis van het in belangrijke mate onderhouden van het kind.
Eiser stelde dat alleen het eerste halfjaar van 2006 relevant was voor de beoordeling en dat in die periode het spaartegoed van zijn zoon slechts beperkt was gestegen, deels afkomstig uit een nabestaandenuitkering. De rechtbank oordeelde dat eiser vrij was de periode van meer dan zes maanden zelf aan te wijzen, maar dat voor de periode van 1 januari tot 1 juli 2006 niet aannemelijk was gemaakt dat de zoon niet over voldoende eigen middelen beschikte.
De rechtbank baseerde zich op de wettelijke criteria uit de Wet IB 2001 en de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, waarbij het ontvangen van kinderbijslag als indicatie geldt voor het in belangrijke mate onderhouden zijn. Omdat de zoon in het tweede kwartaal voldoende eigen inkomsten had, werd de vordering afgewezen.
De rechtbank zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en wees het beroep af. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid van hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem binnen zes weken na verzending van het vonnis.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de alleenstaande-ouderkorting wordt ongegrond verklaard.