ECLI:NL:RBARN:2009:BJ4349
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Consumentenkoop vis met zwemblaasontsteking en bewijsvermoeden volgens artikel 7:18 lid 2 BW
In deze zaak staat centraal of een geleverde vis met zwemblaasontsteking bij aflevering al gebrekkig was. De vis leed aan deze aandoening, wat de non-conformiteit met de koopovereenkomst bevestigt. De vraag is of het gebrek al bij aflevering bestond, waarbij artikel 7:18 lid 2 BW Pro het bewijsvermoeden regelt dat bij een consumentenkoop binnen zes maanden na aflevering een gebrek aanwezig was.
De verkoper, Ogata Holland Import B.V., voerde aan dat vanwege de aard van het levende dier en de ziekte het bewijsvermoeden niet van toepassing is. De rechtbank verwierp dit, stellende dat de wetsgeschiedenis duidelijk maakt dat levende dieren niet zijn uitgezonderd van het bewijsvermoeden. Ook de mogelijkheid dat de ziekte later kan ontstaan, weerhoudt toepassing niet.
Verder werd het verweer van Ogata dat de koper niet tijdig had geklaagd verworpen. De koper ontdekte het gebrek pas in januari 2008, ruim binnen de termijn van twee maanden na ontdekking. De rechtbank stond toe dat Ogata bewijs levert dat de vis bij aflevering niet gebrekkig was. Indien Ogata daarin slaagt, worden de vorderingen afgewezen; zo niet, dan wordt de koop ontbonden en wordt restitutie en schadevergoeding toegewezen.
De procedure wordt voortgezet met gelegenheid voor Ogata om bewijs te leveren, waarna de rechtbank verdere beslissing zal nemen.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en staat de verkoper toe bewijs te leveren tegen het wettelijke bewijsvermoeden.