ECLI:NL:RBARN:2009:BK4905

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
21 oktober 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 09/1522
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 6:24 AwbArt. 6:13 AwbParkeerverordening 2009 gemeente Ede artikel E
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen parkeervergunning in overgangssituatie

Eiser heeft een parkeervergunning aangevraagd voor het centrum van Ede, welke aanvankelijk werd geweigerd. Na bezwaar verleende verweerder een vergunning tot en met 31 december 2009 in het kader van een overgangssituatie. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit met het verzoek om een vergunning voor een langere periode.

De rechtbank overweegt dat op grond van de gemeentelijke parkeerverordening vergunningen maximaal voor één jaar worden verleend. Verweerder kon dus geen vergunning voor een langere periode verlenen. Eiser heeft geen belang bij het beroep omdat hij niet kan bereiken dat de vergunning voor een langere periode wordt toegekend.

Verder is niet aannemelijk dat eiser schade heeft geleden door het besluit. De rechtbank concludeert dat het beroep niet-ontvankelijk is wegens gebrek aan procesbelang en wijst het beroep af. De uitspraak is gedaan door rechter Lutjes op 21 oktober 2009.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot verlening van een parkeervergunning in een overgangssituatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht
registratienummer: AWB 09/1522
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 21 oktober 2009
inzake
[naam], eiser,
wonende te [woonplaats],
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.
1. anduiding bestreden besluit
Besluit van verweerder van 16 maart 2009.
2. Procesverloop
Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder de aanvraag om een parkeervergunning afgewezen.
Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder eiser alsnog een parkeervergunning verleend.
Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 31 augustus 2009. Eiser is daar niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door H.C. Campen en
G. Roelofsen.
3. Overwegingen
Eiser is woonachtig in [woonplaats]. Zijn dochter, [naam dochter], woont in het centrum van Ede aan de [adres]. Uit de stukken blijkt dat eiser en zijn vrouw hun dochter ondersteunen bij het zelfstandig verzorgen van haar kind. Ze bezoeken hun dochter daartoe een aantal keren per week. Op 28 november 2008 heeft eiser een parkeervergunning aangevraagd voor het centrum van Ede.
Bij besluit van 30 december 2008 heeft verweerder geweigerd een parkeervergunning te verlenen. In dat besluit, dat gericht is aan de dochter van eiser, [naam dochter], heeft verweerder onder verwijzing naar de toepasselijke regelgeving het standpunt ingenomen dat er geen grond is om een parkeervergunning te verlenen.
Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
Verweerder heeft het bezwaarschrift voor advies in handen gesteld van de Commissie voor de Bezwaarschriften (hierna: de commissie). De commissie heeft geconcludeerd dat de aanvraag terecht is afgewezen. De commissie heeft verweerder voorts in overweging gegeven om eiser in het kader van een overgangssituatie een parkeervergunning te verlenen tot en met 31 december 2009. De commissie beoogde eiser aldus in de gelegenheid te stellen om in de loop van het jaar te zoeken naar een alternatieve voorziening.
Verweerder heeft het advies van de commissie overgenomen en heeft eiser tot en met
31 december 2009 alsnog een parkeervergunning verleend. Verweerder heeft daarbij overwogen dat zij deze periode aanmerkt als een overgangssituatie. In het kader van een toekomstige aanvraag zal worden onderzocht of op de situatie van eiser de hardheidsclausule van toepassing is, aldus verweerder.
Eiser kan zich niet verenigen met het feit dat de parkeervergunning is verleend in het kader van een overgangssituatie.
Nu eiser in bezwaar een vergunning is verleend, ziet de rechtbank zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser nog een belang heeft bij de beoordeling van het beroep. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State kan geen uitspraak van de rechter worden gevraagd uitsluitend vanwege de principiële betekenis ervan. Vereist is dat datgene wat eiser met het beroep probeert te bewerkstelligen ook daadwerkelijk kan worden bereikt. Als er een reële kans bestaat dat een soortgelijk besluit wederom tot een geschil zal kunnen leiden, kan eiser daaraan een procesbelang ontlenen. Procesbelang dient voorts te worden aangenomen indien tot op zekere hoogte aannemelijk is gemaakt dat als gevolg van het bestreden besluit schade is geleden die voor vergoeding in aanmerking zou kunnen komen.
De rechtbank overweegt als volgt.
Op grond van artikel E van de Parkeerverordening 2009 van de gemeente Ede wordt elke parkeervergunning ten hoogste voor de duur van een jaar verleend, met ingang van de dag na verlening tot uiterlijk 1 januari van het volgende jaar. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat deze bepaling sinds 1 januari 2009 strikt wordt toegepast en dat alle nadien verleende parkeervergunningen een maximale looptijd hebben van een jaar. Dit betekent dat ongeacht de grondslag, verweerder eiser geen parkeervergunning had kunnen verlenen voor een langere periode dan thans het geval is. Voorzover eiser met het beroep beoogt te bereiken dat hij een parkeervergunning verkrijgt voor langere duur, kan dat niet slagen. Hij heeft in dit opzicht dus geen belang bij het beroep.
Hoewel er een reële kans is dat eiser voor het komende jaar wederom een parkeervergunning aanvraagt, wordt daarmee nog niet voldaan aan de in de rechtspraak geldende criteria voor het aannemen van procesbelang. De rechtbank overweegt dat een dergelijke aanvraag kan uitmonden in het afwijzen van de aanvraag of in het verlenen van een parkeervergunning. Als verweerder zou weigeren eiser voor het jaar 2010 een parkeervergunning te verlenen, gaat het niet om een soortgelijk besluit als thans aan de orde is. In dat geval is sprake van een afwijzend besluit, waarbij verweerder zich - naar valt aan te nemen - op standpunt zal stellen dat eiser niet valt onder hardheidsclausule. In een eventueel beroep zal dan de toepasselijkheid van de hardheidsclausule aan de orde zijn, terwijl dat thans niet het geval is.
Indien verweerder ertoe zou overgaan om eiser voor aankomend jaar onder toepassing van de hardheidsclausule wel een vergunning te verlenen, ligt er in een eventuele beroepsprocedure eveneens een andersoortig besluit voor, omdat ook dan – anders dan nu – een toets ten aanzien van de hardheidsclausule aan de orde is. In zoverre is er dus evenmin een procesbelang.
Nu eiser ten slotte niet heeft gesteld dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit, kan de rechtbank in zoverre evenmin procesbelang aannemen.
Conclusie is dat eiser geen procesbelang heeft en dat het beroep om die reden
niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
4. Beslissing
De rechtbank
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.R.H. Lutjes, rechter, in tegenwoordigheid van
mr. J.M.M.B. van Eeten, griffier.
De griffier, De rechter,
Uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2009.
Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto Pro 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.
Verzonden op: 21 oktober 2009