ECLI:NL:RBARN:2010:BL2306
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering bestuurderaansprakelijkheid wegens gebrek aan specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens aandeelhouder
BRR Participaties B.V. en [gedaagde] Beheer B.V. zijn elk voor 50% aandeelhouder in [gedaagde] Assurantiën B.V., waarvan [gedaagde] bestuurder is. BRR vordert betaling van €85.000 wegens vermeende wanpraktijken van [gedaagde], waaronder het zonder toestemming aangaan van een kredietovereenkomst, het sluiten van een samenwerkingsovereenkomst en het treffen van een pensioenvoorziening.
De rechtbank beoordeelt de vordering primair op grond van onrechtmatige daad (art. 6:162 BW Pro) en wijst het beroep op bestuurdersaansprakelijkheid (art. 2:248 en Pro 2:249 BW) af, omdat alleen de curator zich daarop kan beroepen en BRR onvoldoende feiten heeft aangevoerd. Jurisprudentie leert dat individuele aandeelhouders geen eigen vordering kunnen instellen voor schade aan de vennootschap, tenzij een specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens hen persoonlijk is geschonden.
BRR heeft niet gesteld dat een dergelijke norm is geschonden. De rechtbank concludeert dat de vordering faalt en veroordeelt BRR in de proceskosten. De procedure omvatte onder meer een tussenvonnis, comparitie en producties, en speelde mede tegen de achtergrond van een faillissement van [gedaagde] Assurantiën.
Uitkomst: Vordering bestuurderaansprakelijkheid van BRR wordt afgewezen wegens ontbreken van specifieke zorgvuldigheidsnorm jegens aandeelhouder.