ECLI:NL:RBARN:2010:BN1797
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering Waterschap wegens onvoldoende bewijs leidinguitgraving door gedaagde
Het Waterschap Rivierenland vorderde dat gedaagde aansprakelijk werd gesteld voor het uitgraven van een rioolwaterpersleiding op diens perceel. De rechtbank stelde een vermoeden vast dat gedaagde de leiding had uitgegraven of opdracht daartoe had gegeven, mede vanwege zijn betrokkenheid bij loonwerkers- en aannemingsbedrijven van zijn zonen.
Gedaagde leverde tegenbewijs door eigen verklaringen en die van zijn zonen, die stelden dat noch hijzelf noch zij beschikten over het materieel of de kennis om de leiding uit te graven. Verder ontkende gedaagde opdracht te hebben gegeven en verklaarde hij niet te weten wie de leiding wel had uitgegraven.
De verklaringen van gedaagde en zijn zonen werden niet weersproken door het Waterschap. Het vermoeden werd daarmee voldoende ontzenuwd. De rechtbank concludeerde dat niet is komen vast te staan dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld jegens het Waterschap. De vordering werd afgewezen en het Waterschap werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering van het Waterschap wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs dat gedaagde de leiding heeft uitgegraven of opdracht daartoe heeft gegeven.