ECLI:NL:RBARN:2010:BN2464
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Curator vordert betaling van bank wegens onrechtmatige verrekening en handelen
Deze civiele procedure betreft een vordering van de curator in het faillissement van [gefailleerde] tegen ING Bank N.V. De curator vordert primair betaling van een positief rekening-courantsaldo dat de bank op 30 mei 2006 heeft verrekend met een rentevastlening, wat volgens de curator in strijd is met artikel 54 van Pro de Faillissementswet. Subsidiair stelt de curator dat de bank onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers door het ophouden van een schijn van kredietwaardigheid na opzegging van het krediet, waardoor de schuldeisers zijn benadeeld.
Feitelijk bestond er een kredietrelatie tussen de bank en de vennootschap onder firma (vof) [Z], welke per 1 mei 2005 werd ontbonden. De bank sloot daarna een nieuwe kredietovereenkomst met [gefailleerde] en zijn ouders als vennoten van een nieuwe vof. De bank bedong diverse zekerheden, waaronder hypotheken en verpanding van bedrijfsactiva. Na opzegging van het krediet op 25 januari 2006 verkocht [gefailleerde] in overleg met de bank zijn voorraad via een opheffingsuitverkoop, waarbij opbrengsten op zijn bankrekening werden gestort. Op 30 mei 2006 verrekende de bank het positieve saldo van €121.461,64 met de rentevastlening van €300.000, waarna het faillissement van [gefailleerde] op 7 juni 2006 werd uitgesproken.
De rechtbank oordeelt dat de curator aannemelijk heeft gemaakt dat de bank door de crediteringen op de bankrekening schuldenaar werd in de zin van artikel 54 Fw Pro, maar dat nader bewijs nodig is om te bepalen of de bank te goeder trouw was. De bank kon niet aantonen dat de curator tijdig had geklaagd over de wijze van verhaal op de verkoopopbrengst. De rechtbank stelt dat de curator de geldigheid van het pandrecht en de verkoopafspraken met de bank niet meer kan betwisten. Ten aanzien van de subsidiaire vordering oordeelt de rechtbank dat de bank na kredietopzegging de schijn van kredietwaardigheid heeft opgerekt, wat onrechtmatig is jegens schuldeisers. De omvang van de benadeling en schade moet nader worden gespecificeerd en onderzocht. De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol voor nadere bewijslevering.
Uitkomst: De rechtbank houdt de beslissing aan en verwijst de zaak naar de rol voor nadere bewijslevering over de goede trouw van de bank en de omvang van de schade.