ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3843
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingplicht en premieplicht van in Duitsland wonende dga met werkzaamheden in Nederland
Eiser, een directeur-grootaandeelhouder (dga) met Nederlandse nationaliteit, woonde in 2003 en 2004 in Duitsland en verrichtte werkzaamheden in Nederland en Duitsland voor zijn Nederlandse BV en andere vennootschappen. De kernvraag was of eiser in Nederland belastingplichtig was voor de inkomstenbelasting en premieplichtig voor de volksverzekeringen.
De rechtbank stelde vast dat de feitelijke leiding van de BV vanuit het woonadres van eiser in Duitsland plaatsvond, waardoor de BV in Duitsland was gevestigd. Hierdoor was het heffingsrecht voor de inkomstenbelasting toegewezen aan Duitsland volgens het Nederland-Duitsland belastingverdrag. Nederland mocht daarom geen inkomstenbelasting heffen over de werkzaamheden van eiser.
Ten aanzien van de premieplicht oordeelde de rechtbank dat op grond van EU-Verordening 1408/71 artikel 14 quater Pro, onder a, de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was, omdat Nederland de werkzaamheden in Nederland kwalificeert als loondienst en Duitsland die in Duitsland als zelfstandige arbeid. Eiser was daarom premieplichtig in Nederland.
De rechtbank verwierp de door eiser aangevoerde rittenadministratie vanwege gebreken en bevestigde de bijtelling privégebruik auto conform de Nederlandse wetgeving. De aanslagen inkomstenbelasting werden vernietigd voor zover geheven, maar de aanslagen premie volksverzekeringen bleven in stand. De beroepen werden gegrond verklaard en de heffingsrente werd dienovereenkomstig aangepast.
Uitkomst: De aanslagen inkomstenbelasting 2003 en 2004 worden vernietigd, maar de aanslagen premie volksverzekeringen blijven in stand.