ECLI:NL:RBARN:2011:BQ8586
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen beschikking afkoelingsperiode bij executoriale verkoop woning in faillissement
Bij vonnis van 18 mei 2011 werd [gefailleerde] in staat van faillissement verklaard. De rechter-commissaris gelastte op verzoek van de echtgenote van gefailleerde een afkoelingsperiode ex art. 63a Fw van twee maanden, waardoor de executoriale verkoop van de woning werd opgeschort. CMIS, hypotheekhouder en separatist, en [verzoeker] kwamen hiertegen in hoger beroep. CMIS stelde dat de afkoelingsperiode niet bedoeld is om een hogere verkoopprijs te realiseren, maar om de curator de gelegenheid te geven zich een beeld te vormen van de boedel. De curator ondersteunde het verzoek tot afkoelingsperiode, stellende dat onderhandse verkoop mogelijk een hogere opbrengst zou opleveren ten gunste van de boedel.
De rechtbank oordeelde dat het belang van CMIS om de openbare verkoop door te zetten en haar separatistenrecht uit te oefenen zwaarder weegt dan het onzekere belang van de boedel bij een mogelijke hogere opbrengst via onderhandse verkoop. Er waren geen concrete biedingen of aanwijzingen dat onderhandse verkoop op korte termijn tot een hogere prijs zou leiden. De rechtbank vernietigde daarom de beschikking van de rechter-commissaris en wees het verzoek tot afkoelingsperiode af.
De uitspraak werd gedaan door rechter B.J. Engberts op 20 juni 2011. De zaak betreft een belangrijk precedent over de toepassing van art. 63a Fw en het spanningsveld tussen separatisten en boedelbelangen bij executoriale verkoop in faillissement.
Uitkomst: De beschikking tot het gelasten van een afkoelingsperiode wordt vernietigd, waardoor de openbare executoriale verkoop van de woning kan doorgaan.