ECLI:NL:PHR:2012:BW7353
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt afwijzing afkoelingsperiode bij executoriale verkoop woning na faillissement
In deze zaak gaat het om een geschil over de afkoelingsperiode die de rechter-commissaris had gelast in het kader van een executoriale verkoop van een woning waarop een hypotheekrecht rustte. Verzoekster, echtgenote van de gefailleerde, had verzocht om een afkoelingsperiode om de onderhandse verkoop van de woning mogelijk te maken. De rechter-commissaris stelde deze periode vast, maar de rechtbank vernietigde deze beschikking na hoger beroep van CMIS en [betrokkene 2].
Verzoekster stelde cassatie in tegen deze beslissing. De Hoge Raad oordeelde dat verzoekster geen voldoende belang had bij het cassatieberoep, omdat het verzoek om afkoelingsperiode feitelijk alleen in het belang van de curator was gedaan en verzoekster daar geen eigen belang bij had. Daarnaast werd geoordeeld dat het beginsel van hoor en wederhoor niet was geschonden, ondanks dat verzoekster en haar advocaat niet adequaat waren opgeroepen voor de mondelinge behandeling, mede vanwege de spoedeisendheid en bijzondere omstandigheden.
Ook het herstel van een kennelijke fout in de beschikking (vermelding kantonrechter) werd niet als schending van hoor en wederhoor aangemerkt, omdat verzoekster geen belang had bij het horen over deze correctie. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de vernietiging van de afkoelingsperiode en de doorgang van de executoriale verkoop.
Uitkomst: Het cassatieberoep van verzoekster wordt verworpen wegens gebrek aan belang en geen schending van hoor en wederhoor.