ECLI:NL:RBARN:2011:BQ9266
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering afgifte Verklaring Omtrent het Gedrag wegens zedendelict niet evident disproportioneel
Eiser verzocht om afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een benoeming tot leraar, maar dit verzoek werd geweigerd vanwege een eerder gepleegd zedendelict. Verweerder handhaafde de weigering na bezwaar. Eiser stelde dat de beleidsregels die de weigering ondersteunen een ontoelaatbare beperking vormen van het grondwettelijke recht op vrije keuze van arbeid.
De rechtbank oordeelde dat de beleidsregels een toelaatbare beperking vormen binnen het kader van artikel 19, derde lid, van de Grondwet, mede gelet op eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het objectieve criterium voor weigering was onbetwist voldaan.
Het geschil betrof het subjectieve criterium: of de weigering evident disproportioneel was gezien bijzondere persoonlijke omstandigheden van eiser. De rechtbank concludeerde dat verweerder in redelijkheid kon oordelen dat de weigering niet evident disproportioneel was, mede vanwege de ernst van het zedendelict, de meerderjarigheid van eiser ten tijde van het delict en het beperkte tijdsverloop sinds het vonnis.
De rechtbank wees het beroep af en oordeelde dat het bestreden besluit aan de wettelijke toets kon voldoen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van afgifte van de VOG wordt ongegrond verklaard.