ECLI:NL:RBARN:2011:BR1679

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
6 juni 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
210757 / 210758
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 48 lid 1 sub b WCKArt. 48 lid 1 sub c WCKArt. 285 lid 1 sub f FwArt. 288 lid 1 sub b FwArt. 288 lid 2 sub b Fw
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek schuldsaneringsregeling wegens onbevoegde schuldbemiddeling

Verzoekers dienden een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling met een totale schuldenlast van €27.826,97. Het verzoek werd behandeld op 30 mei 2011, waarbij ook de vertegenwoordiger van verzoekers, Grip Schuldhulpverlening, het woord voerde.

De rechtbank stelde vast dat de schuldbemiddeling niet door een bevoegde instantie in de zin van artikel 48 lid 1 WCK Pro was uitgevoerd, aangezien Grip niet voldeed aan de wettelijke eisen. Grip voerde aan dat zij de schuldhulpverlening om niet had uitgevoerd en beschikte over certificaten, maar de rechtbank oordeelde dat betaling door derden niet gelijkstaat aan schuldbemiddeling om niet en dat certificaten niet automatisch bevoegdheid geven.

Verder wees de rechtbank het argument van Grip af dat een verklaring schuldsanering door de gemeente of advocaat de bevoegdheid zou bevestigen. De rechtbank benadrukte dat het gehele minnelijk traject aan wettelijke waarborgen moet voldoen en dat alleen bevoegde instanties dit mogen uitvoeren.

De rechtbank concludeerde dat verzoekers niet voldeden aan de vereisten van artikel 288 lid 2 sub b Fw Pro en wees het verzoek tot schuldsaneringsregeling af. Verzoekers hebben het recht op hoger beroep binnen acht dagen na uitspraak.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen omdat de schuldbemiddeling niet door een bevoegde instantie is uitgevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
rekestnummers: 210757/FT-RK 11.71 en 210758/FT-RK 11.72 ck
nummers verklaringen: TIE0211100013 en TIE0211100048
uitspraakdatum: 6 juni 2011
afwijzing schuldsaneringsregeling
[verzoekers],
beide wonende te [adres]
hierna te noemen verzoekers,
1. De feiten en het verloop van de procedure
1.1. Verzoekers hebben op 13 januari 2011 een verzoekschrift met bijlagen ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2. De verzoekschriften zijn behandeld ter terechtzitting van 30 mei 2011. Daarbij zijn verzoekers gehoord. Grip heeft namens verzoekers ter terechtzitting ook het woord gevoerd.
De verzoekschriften voldoen aan de daaraan gestelde eisen.
1.4. De totale schuldenlast van verzoekers bedraagt € 27.826,97.
2. De overwegingen
2.1. Op grond van art. 288 lid 2 sub b van Pro de Faillissementswet (Fw) dient het verzoek van verzoekers te worden afgewezen als de poging tot buitengerechtelijke schuldregeling niet is uitgevoerd door een persoon of instelling als bedoeld in artikel 48 lid 1 van Pro de wet op het consumentenkrediet (WCK).
2.2. De rechtbank stelt vast dat niet de gemeente, maar Grip Schuldhulpverlening de schuldregeling heeft uitgevoerd. Dat heeft zij naar eigen zeggen niet in opdracht van de gemeente gedaan, maar in opdracht van verzoekers. Verder staat vast dat Grip geen persoon of instelling is in de zin van art. 48 lid 1 sub d WCK Pro, omdat geen AmvB tot stand is gekomen op grond waarvan instellingen zijn aangewezen schuldbemiddeling uit te voeren.
Art. 48 lid 1 sub b WCK Pro
2.3. Grip stelt dat zij wel degelijk valt onder art. 48 lid 1 sub b WCK Pro omdat het verzoek door de gemeente Tiel is ingediend bij de rechtbank. Grip gaat daarbij echter voorbij aan de imperatieve afwijzingsgrond dat niet alleen het verzoek door een bevoegde instantie moet worden ingediend, maar dat daarnaast ook de minnelijke schuldregeling dient te worden uitgevoerd door een bevoegde instantie. Vast staat dat de gemeente het minnelijk traject niet heeft verzorgd. Dit argument gaat dus niet op.
Art. 48 lid 1 sub c WCK Pro
2.4. Grip stelt verder dat zij de schuldhulpverlening om niet heeft uitgevoerd, waardoor zij op grond van art. 48 lid 1 sub b bevoegd Pro was de minnelijke schuldregeling uit te voeren. Zij heeft namelijk de kosten van haar bemiddeling niet aan verzoekers maar aan de werkgever van Van Zwam in rekening gebracht. Daarmee staat echter naar het oordeel van de rechtbank al vast dat zij de diensten niet om niet heeft verleend. Weliswaar zijn de kosten niet aan verzoekers in rekening gebracht, maar dat doet niet af aan het feit dat Grip wel degelijk betaald is voor haar werkzaamheden.De rechtbank verwijst hier ook naar een aarest van het Hof Arnhem van 10 april 2008, LJN BD3935, waarin het Hof onder meer als volgt heeft overwogen:
‘In dat verband geldt bovendien dat geen sprake is van schuldbemiddeling ‘om niet’ indien de kosten daarvan door derden (in plaats van de bemiddelden zelf) gedragen worden. De bedoeling van de wetgever – te weten: ‘de wens te voorkomen dat schuldenaren zich zouden laten bijstaan door malafide of onkundige schuldhulpbemiddelingsbureaus’ (MvA Eerste Kamer, vergaderjaar 2006–2007, 29 942, C, p. 12) – zou op onaanvaardbare wijze doorkruist worden indien dergelijke bureaus zich aan de ingevolge artikel 288 lid 2 onder Pro b Fw jo. 48 lid 1 onder d WCK te stellen eisen zouden kunnen ontrekken door hetzij de kosten van schuldbemiddeling vergoed te krijgen onder de noemer van (parallel lopend) budgetbeheer, hetzij die kosten van derden te ontvangen, hetzij (in een incidenteel geval) die werkzaamheden om niet te verrichten. Dat de WCK schuldbemiddeling om niet (als activiteit) toestaat, neemt derhalve niet weg dat de instellingen die schuldbemiddeling uitvoeren ervoor moeten zorgen dat zij als “persoon of instelling” aan de eisen van artikel 48 lid 1 sub Pro b, c of d moeten voldoen, wil hun voorwerk ook kwalificeren als een poging bedoeld in artikel 288 lid Pro 2
onder b Fw.’
2.5. Grip stelt nog dat zij beschikt over certificaten en dat het voor de rechtbank in dit geval dus mogelijk is om na te gaan of Grip voldoende gekwailficeerd is om de schuldbemiddeling uit te voeren. De Hoge Raad heeft echter in een vergelijkbare zaak onder meer overwogen:
Van de rechter kan (…) niet worden gevergd dat deze in elk concreet geval waarin de voorafgaande schuldbemiddeling is verricht door een persoon of instantie die niet valt onder art. 48 lid Pro 1, onder b, c of d, onderzoekt of die bemiddeling van voldoende kwaliteit is geweest. (Hoge Raad 5 november 2010, LJN: BN8060)
De rechtbank is mede daarom van oordeel dat het feit dat Grip beschikt over NEN-certificaten niet maakt dat zij bevoegd is om schuldbemiddeling uit te voeren in de zin van art. 288 lid 2 sub b Fw Pro. nu het niet de bedoeling is dat de rechtbank van elke schuldbemiddelaar onderzoekt of deze voldoet aan de kwaliteitseisen.
2.6. Grip stelt tenslotte nog dat de gemeente de verklaring schuldsanering als bedoeld in art. 285 lid 1 sub f Fw Pro heeft gegeven en dat deze verklaring ertoe leidt dat de rechtbank kan aannemen dat het buitenwettelijk schuldbemiddelingstraject correct is verlopen. Zij wijst daarbij op het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2010, LJN BN8056, waarin art. 285 lid 1 sub f Fw Pro in ruime zin wordt uitgelegd zodat deze verklaring ook door een advocaat kan worden gegeven.
2.7. De rechtbank volgt deze redenering van Grip niet. In de eerste plaats betreft het hier niet de verklaring schuldsanering maar het gehele minnelijk schuldbemiddelingstraject. Dat dient, volgens de wetgever, met waarborgen te zijn omkleed en die waarborgen zijn slechts verzekerd indien wordt voldaan aan art. 48 lid 1 WCK Pro. In de tweede plaats is een advocaat aangewezen in art. 48 lid 1 WCK Pro om het minnelijk traject uit te voeren en is het beroep van advocaat reeds op grond van de wet, onder meer de Advocatenwet, met waarborgen omkleed, ook waar het de financiën van de cliënt betreft. Een en ander maakt dat de rechtbank van oordeel is dat Grip niet voldoet aan het bepaalde in art. 48 lid 1 WCK Pro en dat zij derhalve niet de bevoegde instantie was die het minnelijk traject kon uitvoeren.
2.8. Dat voor Grip grote belangen op het spel staan heeft de rechtbank hierbij in ogenschouw genomen, maar dit kan niet afdoen aan het bovenstaande.
2.9. Het voorgaande betekent dat verzoekers niet hebben voldaan aan het bepaalde in art. 288 lid 1 sub b Fw Pro en dat de rechtbank het verzoek moet afwijzen. De wet biedt geen ruimte voor een toetsing naar redelijkheid nu dit een imperatieve afwijzingsgrond vormt.
3. De beslissing
3.1 De rechtbank
Wijst de verzoeken af.
Gewezen door mr. S.H. Bokx- Boom en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 juni 2011 in tegenwoordigheid van de griffier.
Verzoekers hebben gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak het recht van hoger beroep. Het recht van hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van de zaak kennis moet nemen.