ECLI:NL:RBARN:2011:BR4773

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
27 juli 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
215984
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 OnteigeningswetArt. 54j OnteigeningswetTitel IV Onteigeningswet
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing onteigeningsvordering gemeente bij vervroegde uitspraak en schadeloosstelling

De gemeente Barneveld vordert onteigening van een perceelsgedeelte van de eigenaar, met toepassing van titel IV van de Onteigeningswet, en vraagt om vervroegde uitspraak en vaststelling van de schadeloosstelling. De rechtbank stelt vast dat een rechter-commissaris en deskundigen zijn benoemd om de gesteldheid van het perceel op te nemen.

De eigenaar voert verweer dat de gemeente niet serieus heeft geprobeerd de grond langs minnelijke weg te verkrijgen, zoals vereist in artikel 17 van Pro de Onteigeningswet. Hij stelt dat de gemeente slechts een laag bod van €45 per m2 heeft gedaan zonder nadere motivering en dat de onderhandelingen niet in de juiste periode hebben plaatsgevonden.

De gemeente weerlegt dit door een overzicht te geven van de onderhandelingen vanaf 2007 tot 2010, waarbij het laatste bod van de eigenaar €60 per m2 was. Na het Koninklijk Besluit heeft de gemeente meerdere aanbiedingen gedaan, waarop de eigenaar niet heeft gereageerd. De rechtbank oordeelt dat de gemeente wel degelijk serieus heeft geprobeerd tot minnelijke verkrijging te komen en wijst het verweer af.

De rechtbank bepaalt dat de onteigening terecht en niet onrechtmatig is en kan vervroegd worden uitgesproken. Omdat geen overeenstemming is bereikt over de schadeloosstelling, wordt het voorschot bepaald op 100% van het door de gemeente aangeboden bedrag van €593.685. De deskundigen dienen hun rapport uiterlijk 1 februari 2012 in te dienen. De uitspraak is gedaan op 27 juli 2011.

Uitkomst: De rechtbank wijst de onteigeningsvordering van de gemeente toe en bepaalt het voorschot op schadeloosstelling op €593.685.

Uitspraak

Vonnis
RECHTBANK ARNHEM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 215984 / HA ZA 11-779 ON
Vonnis van 27 juli 2011
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
GEMEENTE BARNEVELD,
zetelend te Barneveld,
eiseres,
advocaat mr. P.L.G. Haccou te Arnhem,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat mr. A. Hofman te Barneveld.
Partijen zullen hierna de Gemeente en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de nadere conclusie van de Gemeente.
1.2. Vervolgens is vonnis bepaald.
2. De overwegingen
2.1 De Gemeente vordert met toepassing van titel IV van de Onteigeningswet de onteigening ten algemenen nutte en ten name van de Gemeente, bij vervroegde uitspraak, van het in de dagvaarding omschreven perceelsgedeelte, waarvan bij Koninklijk Besluit van 23 november 2010, nr. 10.003201, gepubliceerd in de Staatscourant van 17 januari 2011, nr. 5, [gedaagde] als eigenaar is aangewezen en voorts dat de rechtbank het bedrag van de schadeloosstelling zal bepalen.
2.2 Ten aanzien van hetzelfde perceelsgedeelte heeft de Gemeente een verzoekschrift als bedoeld in afdeling I van hoofdstuk IIIa van titel 1 van de Onteigeningswet ingediend, waarop door deze rechtbank bij beschikkingen van 28 maart 2011 en
5 april 2011 een rechter-commissaris en drie deskundigen zijn benoemd, de
laatsten om de gesteldheid van de te onteigenen zaak op te nemen. De opneming
door de deskundigen is bij de beschikking van 28 maart 2011 bepaald en heeft
inmiddels ook plaatsgevonden op 21 april 2011. Van de opneming is een proces-
verbaal opgemaakt.
2.3 [gedaagde] voert verweer tegen de gevorderde onteigening en verzoekt de Gemeente niet ontvankelijk te verklaren in haar vordering, althans haar deze te ontzeggen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de Gemeente geen serieuze onderhandelingen heeft gevoerd zoals bedoeld in art. 17 OW Pro en geen adequaat aanbod heeft gedaan ter minnelijke verkrijging. Eén van de vereisten daarbij is, volgens [gedaagde], dat de pogingen om hetgeen moet worden onteigend bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen, moeten worden ondernomen in de periode tussen het definitief worden van het Koninklijk Besluit tot onteigening en het uitbrengen van de dagvaarding. De Gemeente heeft volstaan met een aanbod van
€ 45,-- per m2, welk aanbod zonder nadere motivering of toelichting is herhaald in
een brief van 21 maart 2011, alsmede vervolgens in de dagvaarding.
2.4 De Gemeente heeft het verweer van [gedaagde] gemotiveerd weersproken. Zij heeft daartoe een resumé gegeven van het vanaf 25 september 2007 tot en met 5 juli 2010 namens haar met [gedaagde] en/of diens adviseur, de heer [betrokkene1] van Westeneng Makelaardij te Barneveld, gevoerde minnelijke overleg. Het laatste aanbod van de zijde van [gedaagde] was dat hij akkoord kon gaan met een bieding van € 60,-- per m2. Na publicatie van het Koninklijk Besluit heeft [gedaagde] niet gereageerd op het bij brief van 8 februari 2011 door de Gemeente gedane aanbod
en ook niet op het laatste aanbod van de Gemeente bij brief van 21 maart 2011.
2.5 Het feit dat de Gemeente en de [gedaagde] kennelijk zeer van mening verschillen
over de waarde van het te onteigenen perceelsgedeelte leidt op zichzelf niet tot de
conclusie dat de Gemeente geen serieus minnelijk overleg met [gedaagde] heeft
gevoerd zoals bedoeld in art. 17 OW Pro. Vaststaat dat de Gemeente bij brief van 21
maart 2011 van haar advocaat aan [gedaagde] een (laatste) bod ter voorkoming van
onteigening heeft gedaan. De Gemeente heeft de genoemde brief overgelegd. Vast
staat voorts dat de Gemeente bij brief van 8 februari 2011 een bod had uitgebracht
van € 593.685,-- en dat daaraan voorafgaand ook al onderhandelingen met
[gedaagde] hadden plaatsgevonden. [gedaagde] heeft het aanbod van de Gemeente
niet aanvaard. Vaststaat eveneens dat [gedaagde] na het verschijnen van het
Koninklijk Besluit en de publicatie daarvan, ook na ontvangst van het aanbod van
de Gemeente bij de brieven van 8 februari 2011 en 21 maart 2011, niet naar de
Gemeente heeft gereageerd en derhalve niet (opnieuw) tot minnelijk overleg met
de Gemeente is overgegaan en hij de Gemeente daartoe derhalve ook niet de
gelegenheid heeft geboden. [gedaagde] heeft evenmin gereageerd op de bijkomende
aanbieding die bij die brieven is gedaan. Tegen die achtergrond kan niet worden
geconcludeerd dat de Gemeente onvoldoende serieus heeft geprobeerd de grond
langs minnelijke weg te verwerven. Het verweer van [gedaagde] dient op grond
daarvan te worden gepasseerd.
2.6 De Gemeente heeft op grond van het vorenstaande terecht kunnen besluiten om tot
dagvaarding over te gaan.
2.7 De gevorderde onteigening komt de rechtbank ook overigens niet onrechtmatig of
ongegrond voor, zij kan vervroegd worden uitgesproken.
2.8 Er is geen overeenstemming bereikt over de hoogte van de aan [gedaagde] toe te
kennen schadeloosstelling.
2.9 Niet is gebleken dat tussen de Gemeente en [gedaagde] over het aan [gedaagde]
toekomende voorschot op de schadeloosstelling overeenstemming is bereikt.
Het voorschot op de schadeloosstelling zal worden bepaald op 100% van de bij
dagvaarding aangeboden schadeloosstelling, zoals door de Gemeente is
aangeboden.
3.0 Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3. De beslissing
De rechtbank
spreekt uit, bij vervroeging, de onteigening ten algemene nutte en ten name van de Gemeente van het gedeelte groot 01.31.93 ha van het perceel kadastraal bekend [kad.gegevens]
bepaalt het bedrag van het voorschot op de schadeloosstelling ten behoeve van [gedaagde] voor de onteigening van voornoemd perceelsgedeelte op € 593.685,-- (vijfhonderddrieen- negentigduizend zeshonderdvijfentachtig euro),
en alvorens verder te beslissen
bepaalt dat de deskundigen hun rapport zullen deponeren ter griffie van deze rechtbank vóór
1 februari 2012,
wijst aan als nieuwsblad in de zin van artikel 54j van de Onteigeningswet:
de Barneveldse Krant,
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht, mr. H.C.A Walda en mr. J. Berkvens en in het openbaar uitgesproken op 27 juli 2011 en bij afwezigheid van de oudste rechter getekend door mr. H.C.A. Walda.