ECLI:NL:RBARN:2011:BT7180
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Aansprakelijkheid en nakoming betalingsverplichting uit overeenkomst tussen partijen en bestuurders
In deze civiele zaak stond centraal of gedaagde1 partij was bij een overeenkomst waarin een betalingsverplichting van € 200.000 aan eiser was vastgelegd, en of ook andere gedaagden, waaronder gedaagde3, aansprakelijk waren voor de betaling. De rechtbank stelde vast dat gedaagde1 inderdaad partij was bij de overeenkomst en dat de betalingsverplichting toereikend was onderbouwd. Gedaagde1 had onvoldoende bewijs geleverd om zijn stelling te ondersteunen dat hij slechts als doorgeefluik fungeerde.
De rechtbank verwierp het beroep op vernietiging van de overeenkomst wegens het ontbreken van toestemming van de echtgenote van gedaagde1, mede omdat deze de overeenkomst mede had ondertekend en stilzwijgend toestemming had gegeven. Ook het verweer dat de vennootschap [bedrijf1] niet meer bestond ten tijde van de overeenkomst faalde, aangezien deze nog bestond voor vereffening.
De vordering van eiser werd verminderd tot € 143.222,97, rekening houdend met reeds gedane betalingen en wettelijke rente. De rechtbank wees het beroep op verrekening af vanwege onvoldoende onderbouwing. Verder werd geoordeeld dat gedaagde3 niet persoonlijk aansprakelijk was, omdat eiser onvoldoende had gesteld dat verhaal op gedaagde1 onmogelijk was en dat gedaagde3 de nakoming had verhinderd.
De rechtbank veroordeelde gedaagde1 en de vennootschap hoofdelijk tot betaling van het gevorderde bedrag en de proceskosten, terwijl de vordering tegen gedaagde3 werd afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde1 en de vennootschap worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van € 143.222,97 plus wettelijke rente aan eiser; vordering tegen gedaagde3 wordt afgewezen.