ECLI:NL:RBARN:2011:BU4792

Rechtbank Arnhem

Datum uitspraak
17 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 10/2252
Instantie
Rechtbank Arnhem
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:17 AwbArt. 4:3a AwbArt. 2:15 AwbArt. 7:10 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank Arnhem bevestigt dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar omzetbelasting

Eiseres, een vennootschap onder firma, maakte bezwaar tegen een naheffingsaanslag omzetbelasting over de periode 2006-2008. Verweerder, de inspecteur van de Belastingdienst, stelde niet binnen de wettelijke termijn van zes weken een beslissing op het bezwaar. Eiseres stelde verweerder vervolgens per e-mail in gebreke, waarna verweerder alsnog uitspraak op bezwaar deed, maar te laat.

De kern van het geschil betrof de vraag of een ingebrekestelling per e-mail als een schriftelijke ingebrekestelling in de zin van artikel 4:17, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt. De rechtbank oordeelde dat de elektronische weg voor het indienen van bezwaarschriften is opengesteld en dat dit ook geldt voor de daarmee verband houdende ingebrekestellingen.

De rechtbank stelde vast dat verweerder de beslistermijn had overschreden en dat de ingebrekestelling rechtsgeldig was ontvangen. Gevolg was dat verweerder een dwangsom van € 1.020 verschuldigd was. Daarnaast werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd het door eiseres betaalde griffierecht vergoed.

De uitspraak werd gedaan door een meervoudige belastingkamer van de rechtbank Arnhem op 17 november 2011. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Arnhem binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Verweerder is een dwangsom van € 1.020 verschuldigd wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar omzetbelasting.

Uitspraak

RECHTBANK ARNHEM
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
registratienummer: AWB 10/2252
uitspraak ingevolge artikel 8:77 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
van 17 november 2011
inzake
[X] v.o.f., gevestigd te [Z], eiseres,
tegen
de inspecteur van de Belastingdienst/Oost, kantoor Winterswijk, verweerder.
1. Ontstaan en loop van het geding
Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 met dagtekening 26 januari 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting (aanslagnummer [000].F01.8501) opgelegd, alsmede een boetebeschikking. Tevens is bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.
Eiseres heeft hiertegen bij brief van 4 maart 2010, bij verweerder ontvangen op 5 maart 2010, bezwaar aangetekend.
Eiseres heeft verweerder op 3 juni 2010 per e-mail in gebreke gesteld omdat nog geen uitspraak op bezwaar is gedaan. Verweerder heeft de e-mail op dezelfde dag ontvangen.
Eiseres heeft bij brief van 18 juni 2010, ontvangen door de rechtbank op dezelfde dag, beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2010 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.
Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.
Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2010, waarbij de zaak is behandeld door de enkelvoudige belastingkamer. Namens eiseres zijn daar verschenen de vennoot van eiseres, [Y], en de gemachtigde van eiseres, mr. [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen [gemachtigde].
Partijen hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en afschriften daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting is geschorst omdat dit niet volledig is geweest. Van het onderzoek ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, waarvan op 11 februari 2011 een afschrift aan partijen is verzonden. Op dezelfde datum is een afschrift van het schorsingsbesluit aan partijen verzonden. Ook is de zaak door de enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer verwezen.
Bij brief van 9 november 2010, door de rechtbank op dezelfde dag ontvangen, heeft eiseres gebruik gemaakt van de haar door de rechtbank geboden gelegenheid om bewijsstukken te overleggen.
Partijen hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend. Deze stukken zijn telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2011 te Arnhem. Namens eiseres zijn daar verschenen de vennoot van eiseres, [Y], en de gemachtigde van eiseres, mr. [gemachtigde]. Namens verweerder is verschenen mr. [A], tot bijstand vergezeld van mr. [B] en [C].
2. Feiten
Verweerder heeft aan eiseres over het tijdvak 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 met dagtekening 26 januari 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd, alsmede een boetebeschikking.
Eiseres heeft hiertegen bij brief van 4 maart 2010, bij verweerder ontvangen op 5 maart 2010, bezwaar aangetekend.
Per e-mailbericht van 3 juni 2010 heeft eiseres verweerder in gebreke gesteld. Verweerder heeft die ingebrekestelling op dezelfde dag ontvangen.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 juli 2010 de naheffingsaanslag, de beschikking heffingsrente en de boetebeschikking gehandhaafd.
3. Geschil
Tussen partijen is in geschil of verweerder een dwangsom verschuldigd is vanwege het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar.
4. Beoordeling van het geschil
Eiseres heeft bij brief van 4 maart 2010, door verweerder ontvangen op 5 maart 2010, bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag omzetbelasting met dagtekening 26 januari 2010. Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb diende verweerder daarop in beginsel binnen zes weken te beslissen. Dit is niet gebeurd terwijl de beslistermijn door verweerder ook niet is verlengd.
Verweerder heeft op 23 juli 2010 uitspraak op bezwaar gedaan. De rechtbank stelt dan ook vast dat verweerder ten tijde van de ingebrekestelling per e-mail op 3 juni 2010 de beslistermijn had overschreden. Tevens heeft verweerder niet binnen twee weken na deze ingebrekestelling beslist.
Tussen partijen is in geschil of een ingebrekestelling per e-mail als een schriftelijke ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb kan worden aangemerkt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat hiervan geen sprake is omdat de elektronische weg voor ingebrekestellingen niet is opengesteld.
De rechtbank overweegt als volgt.
In artikel 2:15, eerste lid, van de Awb is bepaald dat een bericht elektronisch naar een bestuursorgaan kan worden verzonden voor zover het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat deze weg is geopend. Voor het indienen van bezwaarschriften die zien op de omzetbelasting is per 1 januari 2008 de elektronische weg opengesteld. Hiermee is naar het oordeel van de rechtbank ook kenbaar gemaakt dat voor een schriftelijke ingebrekestelling wegens het niet tijdig doen van uitspraak op een dergelijk bezwaar de elektronische weg is opengesteld.
Dit volgt ook uit artikel 4:17, vierde lid, van de Awb, waarin is bepaald dat indien de aanvraag (in dit geval het bezwaar) elektronisch kan worden gedaan, artikel 4:3a van overeenkomstige toepassing is op de ingebrekestelling. In artikel 4:3a van de Awb is bepaald dat het bestuursorgaan de ontvangst van de elektronisch ingediende aanvraag (het bezwaar) bevestigt. Ook deze bepalingen gaan naar het oordeel van de rechtbank uit van de vooronderstelling dat indien het bestuursorgaan kenbaar heeft gemaakt dat de elektronische weg voor bezwaarschriften is opengesteld, deze ook voor de daarmee verband houdende ingebrekestellingen is opengesteld.
Gelet op het vorenoverwogene is verweerder in gebreke. Tussen partijen is niet in geschil dat in dat geval de periode waarover de dwangsom moet worden berekend, loopt vanaf 18 juni 2010 tot en met 23 juli 2010 en dat verweerder een dwangsom verschuldigd is van € 1.020. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen. Het beroep dient gegrond te worden verklaard.
5. Proceskosten
De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.311 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 0,5 punt voor het verstrekken van schriftelijke inlichtingen, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting, met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.
6. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- stelt vast dat verweerder als gevolg van het niet tijdig beslissen op het bezwaar van eiseres een dwangsom, als bedoeld in artikel 4:17 van Pro de Awb, heeft verbeurd ten bedrage van € 1.020;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.311;
- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 298 vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.C.G.J. van Well, voorzitter, mr. E.C.G. Okhuizen en mr. J. Rakhan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.A. Aalbersberg, griffier.
De griffier, De voorzitter,
Uitgesproken in het openbaar op: 17 november 2011
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Arnhem (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep.