ECLI:NL:RBARN:2012:BW1139
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.C.G.J. van Well
- G.H.W. Bodt
- J.M.W. van de Sande
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke vrijstelling premieplicht volksverzekeringen voor binnenvaartmedewerker
Eiser, een Nederlandse binnenvaartmedewerker, werkte in 2005 op verschillende motortankschepen die in de Rijnvaart werden ingezet. Hij vroeg vrijstelling van de premieplicht voor de volksverzekeringen in Nederland, omdat hij tevens in Luxemburg verzekerd was. De rechtbank onderzocht of eiser onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel voor de periodes dat hij op de schepen [G], [I] en [K] werkte.
De rechtbank stelde vast dat het Rijnvarendenverdrag bepaalt dat slechts de wetgeving van één verdragsluitende partij van toepassing is, namelijk die van de onderneming die het schip exploiteert. Voor het schip [I] was onduidelijk wie de exploitant was, omdat zowel de eigenaar als [E] SA als exploitanten op de Rijnvaartverklaring stonden. De rechtbank legde de bewijslast bij verweerder, die onvoldoende aannemelijk maakte dat de eigenaar de exploitant was. Voor het schip [G] was de eigenaar tevens de exploitant en in Nederland gevestigd, waardoor premieplicht in Nederland geldt. Voor schip [K] was uit onderzoek gebleken dat [L] als exploitant moest worden aangemerkt, eveneens in Nederland gevestigd.
De Luxemburgse E-106 verklaring werd niet als bewijs van verzekeringsplicht in Luxemburg aanvaard, omdat het Rijnvarendenverdrag en niet de Verordening EEG nr. 1408/71 van toepassing is. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de uitspraak op bezwaar en beperkte de premieplicht tot de periodes dat eiser op de schepen met Nederlandse exploitanten werkte. Tevens werd de heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en verweerder veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Eiser is gedeeltelijk vrijgesteld van premieplicht voor de volksverzekeringen in Nederland voor de periodes dat hij op schepen met Luxemburgse exploitant werkte.