ECLI:NL:HR:2011:BQ2938
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Toepassing Rijnvarendenverdrag op sociale verzekeringsplicht binnenvaartschip
Belanghebbende, een Nederlandse stuurvrouw werkzaam op een binnenvaartschip dat mede in de rijnvaart wordt gebruikt, was in 2005 in dienst bij een Luxemburgse werkgever. Haar echtgenoot exploiteerde het schip en was eigenaar van de onderneming die de winst en kosten van het schip verantwoordde.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende ongegrond en bevestigden dat zij als rijnvarende onder het Rijnvarendenverdrag valt en in Nederland verzekerd en premieplichtig is voor de volksverzekeringen. Het Hof oordeelde dat de onderneming waartoe het schip behoort, wordt bepaald door wie het schip voor rekening en risico exploiteert, in dit geval de echtgenoot.
Belanghebbende stelde dat het schip slechts gedurende daadwerkelijke rijnvaart onder het verdrag valt en dat een E-106-verklaring haar sociale verzekeringsplicht in Luxemburg bevestigt. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het schip mede in de rijnvaart wordt gebruikt en dat de E-106-verklaring geen betekenis heeft bij toepassing van het Rijnvarendenverdrag.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en bevestigde de eerdere uitspraken dat belanghebbende in Nederland sociaal verzekerd is. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat belanghebbende in Nederland sociaal verzekerd is.