ECLI:NL:RBARN:2012:BW6504
Rechtbank Arnhem
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak en veroordeling in zaak FCIB N.V. wegens overtreding kredietwezen en meldplicht ongebruikelijke transacties
In deze strafzaak stond verdachte terecht voor diverse feiten met betrekking tot de First Curaçao International Bank N.V. (FCIB N.V.) en haar activiteiten in Nederland en Curaçao. De rechtbank oordeelde dat het primair tenlastegelegde feit van het zonder vergunning uitoefenen van het bedrijf van kredietinstelling in Nederland (artikel 6 Wtk Pro 1992) niet wettig en overtuigend was bewezen, waardoor verdachte hiervoor werd vrijgesproken.
Subsidiair werd bewezen verklaard dat FCIB N.V. samen met TWOCC B.V. via een bijkantoor in Berg en Dal het bedrijf van kredietinstelling uitoefende zonder vergunning, in strijd met artikel 38 Wtk Pro 1992. Daarnaast werd bewezen dat FCIB N.V. opzettelijk naliet om ongebruikelijke transacties te melden bij het Nederlandse meldpunt MOT, in strijd met artikel 9 Wet Pro MOT, terwijl verdachte feitelijk leiding gaf aan deze gedragingen.
De rechtbank verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer van de verdediging, oordeelde dat er voldoende redelijke verdenking bestond en dat het onderzoek niet disproportioneel was. Verdachte werd vrijgesproken van deelname aan een criminele organisatie wegens onvoldoende bewijs.
De strafoplegging bestond uit een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan de uitvoering werd geschorst onder voorwaarden, en een geldboete van €327.000, met vervangende hechtenis bij niet-betaling. De uitspraak onderstreept het belang van vergunningplicht en meldplicht in het financieel toezicht en de naleving daarvan door financiële instellingen en hun leidinggevenden.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van deelname aan criminele organisatie en overtreding artikel 6 Wtk 1992, maar veroordeeld voor overtreding artikel 38 Wtk 1992 en artikel 9 Wet MOT met een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete.