ECLI:NL:RBASS:2000:AA5686
Rechtbank Assen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Recht op WW-uitkering en fictieve opzeggingstermijn bij ontbinding arbeidsovereenkomst
Eiseres, geboren in 1944, werkte sinds 1981 bij een ziekenhuis en haar arbeidsovereenkomst werd per 1 april 1999 ontbonden met toekenning van een vergoeding. Verweerder stelde dat zij pas vanaf 1 september 1999 recht had op WW-uitkering, gebaseerd op een fictieve opzeggingstermijn van 22 weken volgens het overgangsrecht van de Flexwet. Eiseres betwistte dit en stelde dat de termijn volgens artikel 7:672 BW Pro vier maanden bedraagt.
De rechtbank overwoog dat artikel 16 lid 3 WW Pro verwijst naar artikel 7:672 BW Pro, maar niet expliciet naar het overgangsrecht van de Flexwet. Gelet op de civielrechtelijke aard van het overgangsrecht en het doel van artikel 16 lid 3 WW Pro, achtte de rechtbank het overgangsrecht niet van toepassing in dit sociaal verzekeringsrechtelijke kader. De fictieve opzeggingstermijn bedraagt derhalve drie maanden, rekening houdend met een maand verkorting volgens artikel 7:672 lid 4 BW Pro.
Verder bepaalde de rechtbank dat de fictieve opzeggingstermijn aanvangt op de dag na de datum van de beschikking tot ontbinding, dus op 2 april 1999, en eindigt drie maanden later, op 2 juli 1999. Het standpunt van verweerder dat de termijn tot het einde van de maand zou moeten worden verlengd, werd verworpen. Hierdoor heeft eiseres vanaf 2 juli 1999 recht op WW-uitkering.
Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder werd opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres.
Uitkomst: Eiseres heeft vanaf 2 juli 1999 recht op WW-uitkering; het bestreden besluit wordt vernietigd.