ECLI:NL:RBASS:2001:AD5003
Rechtbank Assen
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bouwvergunning garage binnen bestemmingsplan
Verzoeker maakte bezwaar tegen de bouwvergunning die het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Aa en Hunze had verleend aan een vergunninghouder voor de bouw van een garage/berging op een perceel met bestemming groenvoorzieningen. Verzoeker voerde aan dat de vrijstelling op grond van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) niet van toepassing was omdat het bouwplan niet van ondergeschikte planologische betekenis zou zijn.
De rechtbank overwoog dat met de invoering van artikel 19, derde lid, van de WRO een aanzienlijke verruiming van de vrijstellingsbevoegdheid van het college is beoogd, waarbij het criterium van geringe planologische betekenis is geschrapt. De vrijstellingsbevoegdheid wordt slechts begrensd door artikel 20 van Pro het Besluit ruimtelijke ordening (BRO). In casu betrof het de bouw van een bijgebouw bij een woongebouw binnen de bebouwde kom, waarbij het aantal woningen gelijk bleef.
Hoewel het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, was de vrijstelling op grond van artikel 19 lid 3 WRO Pro formeel toelaatbaar. De rechtbank constateerde dat het college het bouwplan toetste aan een beleidskader dat niet rechtstreeks van toepassing was, waardoor het besluit formeel onvoldoende gemotiveerd was. Desondanks zag de rechtbank geen aanleiding tot schorsing, omdat het college het besluit in bezwaar alsnog deugdelijk kan motiveren en de vrijstellingsbevoegdheid een ruime beleidsruimte biedt.
De bezwaren van verzoeker over locatie, zonlicht, uitzicht en waardevermindering werden onvoldoende aannemelijk geacht om de vergunning te weigeren. De rechtbank wees daarom het verzoek om een voorlopige voorziening af en sprak geen proceskostenveroordeling uit.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de bouwvergunning voor de garage/berging wordt afgewezen.