ECLI:NL:RBASS:2010:BM9993
Rechtbank Assen
- Kort geding
- Rechtspraak.nl
Verzet gegrond tegen rechtmatigheid lijfsdwang na niet-nakoming omgangsregeling
Partijen hadden tot november 2005 een affectieve relatie en hebben een minderjarig kind. Het gerechtshof Leeuwarden stelde op 1 december 2009 een omgangsregeling vast waarbij de man het kind om de veertien dagen op zaterdagmiddag en later een heel weekend mocht ontvangen.
De vrouw, die het gezag over het kind heeft en waar het kind verblijft, weigerde mee te werken aan de omgangsregeling. Bij vonnis van 3 februari 2010 werd bepaald dat zij aan deze regeling moest meewerken, met een dwangsom van €500 per overtreding en een maximale dwangsom van €4.000. Tevens werd lijfsdwang van maximaal veertien dagen toegestaan als uiterste middel.
De man probeerde vanaf maart 2010 meerdere keren de omgangsregeling te effectueren, maar de vrouw weigerde telkens het kind mee te geven. Na eerdere toepassing van lijfsdwang van vier dagen werd op 29 juni 2010 opnieuw lijfsdwang toegepast voor veertien dagen. De vrouw betwistte de rechtmatigheid hiervan.
De voorzieningenrechter oordeelde dat hoewel het belang van de man bij naleving groot is, het belang van het kind bij het niet toepassen van lijfsdwang zwaarder weegt. Uit een GGZ-rapport bleek dat het kind een aanpassingsstoornis met angst heeft en de vrouw de belangrijkste hechtingsfiguur is. De rechter verklaarde het verzet van de vrouw gegrond en weigerde verdere lijfsdwang.
Uitkomst: Het verzet van de vrouw tegen de rechtmatigheid van lijfsdwang wordt gegrond verklaard en verdere toepassing van lijfsdwang wordt geweigerd.