ECLI:NL:RBBRE:2003:AF8379
Rechtbank Breda
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet-ontvankelijkheid bezwaar inzake illegaal geneesmiddel
Verzoekster, een vennootschap onder firma die een groothandel exploiteert, verhandelde tabletten van het merk [productnaam]. Verweerder had medegedeeld dat dit product ongeregistreerd en daarmee illegaal was volgens de Wet op de Geneesmiddelenvoorziening (WOG), en dat verhandeling strafbaar was. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze mededeling, maar dit bezwaar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de mededeling niet als een appellabel besluit werd aangemerkt.
Verzoekster stelde beroep in tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar en verzocht om een voorlopige voorziening tot opheffing van het verbod. De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing niet-ontvankelijk was omdat het doel, het verkrijgen van een appellabele beslissing, inmiddels was bereikt. Wel werd beoordeeld of de mededeling als besluit kon worden aangemerkt.
De voorzieningenrechter concludeerde dat verweerder in zijn rol als opsporingsambtenaar handelde en de mededeling geen bestuursrechtelijk rechtsgevolg heeft. De mededeling leidde tot een strafrechtelijke procedure, die door de strafrechter wordt beoordeeld. Verzoekster werd geadviseerd een registratieaanvraag in te dienen bij het College ter beoordeling van geneesmiddelen om juridische duidelijkheid te verkrijgen.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er was geen grond voor proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de scheiding tussen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke bevoegdheden in de handhaving van de WOG.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.