ECLI:NL:RBBRE:2004:AO4135
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering werkloosheidsuitkering over vakantiedagen bij arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht
Eiser, werkzaam bij Stichting Samenwerkende Havenbedrijven Rotterdam (SHB), had zijn arbeidsovereenkomst per 1 februari 2002 omgezet in een arbeidsovereenkomst met uitgestelde prestatieplicht (m.u.p.). Verweerder weigerde een WW-uitkering over 28 genoten vakantiedagen in 2002, stellende dat over deze dagen onverminderd loon werd doorbetaald door SHB, waardoor geen recht op uitkering zou bestaan.
De rechtbank beoordeelde de toepasselijke CAO-bepalingen en het Protocol van afspraken dat deel uitmaakt van de CAO. Verweerder stelde dat de werknemer recht had op volledige vakantiedagen zoals in de CAO vermeld, ongeacht de feitelijke gewerkte uren. De rechtbank oordeelde echter dat deze uitleg leidt tot onaannemelijke rechtsgevolgen en strijdig is met artikel 7:648 BW Pro dat onderscheid op grond van arbeidsduur verbiedt.
De rechtbank stelde vast dat de werknemer met een arbeidsovereenkomst m.u.p. aanspraak heeft op een pro rata deel van de vakantiedagen, overeenkomstig het aantal daadwerkelijk gewerkte uren. Het bestreden besluit van verweerder was gebaseerd op een onjuiste uitleg van de CAO en werd vernietigd. Verweerder werd opgedragen een nieuw besluit te nemen en eiser werd in het gelijk gesteld met vergoeding van griffierecht en proceskosten.
De uitspraak benadrukt het belang van een correcte uitleg van CAO-bepalingen in samenhang met wettelijke bepalingen over vakantiedagen en loonbetaling bij arbeidsovereenkomsten met uitgestelde prestatieplicht.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onjuiste uitleg van CAO-bepalingen over vakantiedagen bij arbeidsovereenkomst m.u.p.