ECLI:NL:RBBRE:2005:AU6876

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
7 juli 2005
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/00174
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 27d AWRArt. 35 Wet MRB 1994Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging boetebeschikking wegens afwezigheid van alle schuld bij schorsing motorrijtuigenbelasting

Eiser had zijn motorrijtuig, een personenauto, geschorst geregistreerd staan van 3 juli 2004. Op 11 augustus 2004 constateerden politieambtenaren dat het voertuig op de openbare weg geparkeerd stond, ondanks de schorsing. Hierdoor legde de Belastingdienst een naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting en een boetebeschikking op.

Eiser stelde dat hij het voertuig ter reparatie had aangeboden bij een garage en dat hij de garage had geïnformeerd over de schorsing. De garage erkende dit, maar had nagelaten dit door te geven aan de monteur, die het voertuig vervolgens op de openbare weg parkeerde. Eiser had geen toestemming gegeven voor het parkeren op de openbare weg en kon dit ook niet voorkomen.

De rechtbank oordeelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat het voertuig inderdaad gebruik maakte van de openbare weg tijdens schorsing. Echter, de boetebeschikking werd vernietigd wegens afwezigheid van alle schuld bij eiser. De rechtbank veroordeelde de Staat der Nederlanden tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het beroep van eiser werd gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boetebeschikking vernietigd. De uitspraak werd gedaan op 7 juli 2005 door de rechtbank Breda.

Uitkomst: De boetebeschikking wordt vernietigd wegens afwezigheid van alle schuld bij eiser, terwijl de naheffingsaanslag gehandhaafd blijft.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer
Registratienummer: AWB 05/00174
Uitspraakdatum: 7 juli 2005
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in artikel 8:67 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde, [gemachtigde A] verbonden aan [naam bedrijf],
en
de inspecteur van de Belastingdienst Centrale Administratie Apeldoorn,
verweerder,
gemachtigde [gemachtigde B].
Betreft:
De uitspraak van verweerder van 28 januari 2005 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting over de periode 3 juli 2004 tot en met 1 oktober 2004, alsmede de daarbij gegeven boetebeschikking
Onderzoek ter zitting:
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juni 2005.
Eiser is niet verschenen. De griffier heeft verklaard dat zij belanghebbende bij op 11 mei 2005 aangetekend naar het door eiser zelf opgegeven adres verzonden uitnodiging, welke door het afhaalkantoor van TPG Post op 12 mei 2005 is uitgereikt aan eiser en waarvan een afschrift tot de stukken behoort, tijdig heeft kennis gegeven van datum, plaats en tijdstip van de zitting.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- handhaaft de bestreden naheffingsaanslag;
- vernietigt de boetebeschikking;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten ten bedrage van € 322,=, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) die deze kosten aan eiser dient te vergoeden;
- gelast dat de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) het door eiser betaalde griffierecht van € 37,= vergoedt.
2. Gronden
2.1. De naheffingsaanslag betreft het motorrijtuig met kenteken [AA-00-BB] (hierna: het motorvoertuig), dat sinds 1 mei 2004 in het kentekenregister op naam van eiser in persoon was gesteld. Het betreft een [merk] personenauto. Sinds 3 juli 2004 stond het motorvoertuig als geschorst geregistreerd.
2.2. In geschil is of de onderhavige naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting terecht is opgelegd.
2.3. Verweerder heeft een proces verbaal van [verbalisant A] en [verbalisant B] van het Korps landelijke politiediensten overgelegd, waarin deze, zakelijk weergegeven, verklaren dat zij op 11 augustus 2004, omstreeks 18.14u hebben geconstateerd dat van de weg genaamd [straatnaam], ter hoogte van perceel [nummer], gebruik gemaakt werd met een motorrijtuig met de volgende kenmerken:
kenteken: [AA-00-BB]
merk: [merk]
type: [type]
kleur: [kleur]
Op grond van deze constatering heeft verweerder de thans bestreden naheffingsaanslag en de daarbij gegeven boetebeschikking vastgesteld.
2.4. Eiser stelt dat de auto een oldtimer betreft en dat deze naar garagebedrijf [naam garage] te [plaats] is gebracht, alwaar het motorvoertuig weer rijklaar gemaakt zou worden. Aangezien het rijklaar maken enkele maanden in beslag zou nemen, heeft eiser het kenteken opgeschorst.
Eiser stelt dat hij het garagebedrijf geen toestemming heeft gegeven het motorvoertuig op de openbare weg te parkeren. Het garagebedrijf erkent, middels haar schriftelijke verklaring van 21 november 2004, dat eiser het motorvoertuig ter reparatie heeft aangeboden onder de mededeling dat dit voertuig geschorst was. Deze mededeling is echter abusievelijk niet doorgegeven aan de behandeld monteur die de auto dientengevolge op de openbare weg heeft geparkeerd. Op grond van het vorenstaande stelt eiser dat de naheffing dient te vervallen, aangezien sprake is van een overmachtsituatie.
2.5. Indien met een motorrijtuig tijdens een schorsing van de geldigheid van het kentekenbewijs gebruik wordt gemaakt van de openbare weg - stilstaand of rijdend -, kan op grond van artikel 35 van Pro de Wet op de Motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) belasting worden nageheven. Eiser bestrijdt niet dat tijdens de schorsing met het motorvoertuig gebruik is gemaakt van de openbare weg. In zoverre is de naheffingsaanslag naar het oordeel van de rechtbank derhalve correct opgelegd.
2.6. Ten aanzien van de gegeven boetebeschikking merkt de rechtbank op dat eiser van het gebruik van de openbare weg in de omstandigheden van dit geval geen verwijt kan worden gemaakt. Eiser heeft gesteld dat hij de garagehouder te kennen heeft gegeven dat het kenteken was geschorst. Het garagebedrijf erkent dat zij door eiser op de hoogte was gesteld van de schorsing van het kenteken, echter dat zij heeft verzuimd dit mede te delen aan de behandelend monteur. De rechtbank is van oordeel dat eiser hiermee aannemelijk heeft gemaakt dat het motorvoertuig tegen zijn wil op de openbare weg is geparkeerd en dat hij dit redelijkerwijs niet heeft kunnen voorkomen. Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat sprake is van afwezigheid van alle schuld en het boetebeschikking derhalve moet worden vernietigd.
2.7. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
3. Proceskosten
In de omstandigheden van het geval vindt de rechtbank aanleiding op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 322,= (1 punt voor het beroepschrift met een waarde per punt van € 322,= en een wegingsfactor 1). De rechtbank wijst de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën) aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Deze uitspraak is vastgesteld door mr. A.J. Kromhout. De beslissing is op 7 juli 2005 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid vanmr. L. Abbing-van Kleef, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ 's-Hertogenbosch; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;
2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.