ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8206
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling navorderingsaanslag wegens niet aangegeven wettelijke rente uit vaststellingsovereenkomst
Eiser ontving in 1996 een bedrag aan wettelijke rente uit hoofde van een vaststellingsovereenkomst met de gemeente, welke rente niet was aangegeven in de aangifte inkomstenbelasting 1996. De Belastingdienst ontdekte dit pas in 2000 na een onderzoek bij de gemeente en legde daarop een navorderingsaanslag op. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een nieuw feit dat navordering rechtvaardigt, omdat de inspecteur ten tijde van de primitieve aanslag niet op de hoogte was van de rente en geen onderzoeksplicht had om dit te achterhalen.
Daarnaast stelt de rechtbank vast dat de wettelijke rente als voordeel uit de vordering tot restitutie moet worden gezien en derhalve onderdeel uitmaakt van het belastbare inkomen volgens artikel 24 van Pro de Wet inkomstenbelasting 1964. De stelling van eiser dat de inspecteur informatie had moeten overnemen van een andere inspecteur wordt verworpen omdat die kennis niet aan de inspecteur van eiser kan worden toegerekend.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek tot vergoeding van griffierecht en proceskosten af. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de rechtbank Breda op 23 juni 2005.
Uitkomst: De navorderingsaanslag wegens niet aangegeven wettelijke rente wordt bevestigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.