ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8678
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Verzuimboete onterecht opgelegd wegens termijnverlenging bij vennootschapsbelasting 1998
Belanghebbende betwistte de aanslag vennootschapsbelasting 1998 en de daarbij opgelegde verzuimboete. De kern van het geschil betrof of belanghebbende meer kosten had gemaakt dan door de inspecteur was erkend, of het verliesverrekeningbedrag juist was vastgesteld en of de verzuimboete terecht was opgelegd.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat er meer kosten waren dan reeds door de inspecteur in aanmerking genomen. Met betrekking tot de verliesverrekening werd aangenomen dat de kosten van 1994 en 1995 in de kostenpost van 1996 waren begrepen, waardoor het verlies juist was vastgesteld.
Ten aanzien van de verzuimboete oordeelde de rechtbank dat de inspecteur door het toesturen van meerdere aanmaningen, waaronder een derde aanmaning met een uiterste inleverdatum, feitelijk een termijnverlenging had verleend conform artikel 9, lid 3 AWR. Omdat belanghebbende de aangifte binnen deze verlengde termijn had ingediend, was de boete onterecht opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het boetebesluit, handhaafde de aanslag en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten. Tevens werd het betaalde griffierecht aan belanghebbende vergoed.
Uitkomst: De verzuimboete is vernietigd omdat de aangifte binnen een door de inspecteur verleende termijnverlenging is ingediend.