ECLI:NL:RBBRE:2005:AU8708
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Niet aannemelijk bestaan voorovereenkomst oprichting B.V. per 30 juni 2000
Belanghebbende startte in 2000 een eenmanszaak en stelde dat hij op 30 juni 2000 een voorovereenkomst tot oprichting van een B.V. had gesloten. De Inspecteur rekende het bedrijfsresultaat van het tweede halfjaar 2000 toe aan de eenmanszaak, terwijl belanghebbende dit aan de B.V. wilde toerekenen.
De rechtbank onderzocht of het bestaan van de voorovereenkomst aannemelijk was. Hoewel belanghebbende getuigenverklaringen overlegde en verwees naar een brief van de Inspecteur, oordeelde de rechtbank dat deze verklaringen niet geloofwaardig waren en dat de brief geen rechtsbescherming bood. Ook het voortzetten van de eenmanszaak tot in 2001 en het ontbreken van registratie van de voorovereenkomst spraken tegen het bestaan daarvan.
De rechtbank stelde vast dat belanghebbende voldoende gelegenheid had gehad om zijn standpunt te verdedigen en dat de Inspecteur terecht in de beroepsfase het bestaan van de voorovereenkomst aan de orde stelde. De stelling dat de eenmanszaak slechts tijdelijk was bedoeld werd niet onderbouwd. Gezien het geheel van omstandigheden was niet overtuigend vastgesteld dat het voornemen tot oprichting van de B.V. op 30 juni 2000 bestond.
Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd. Er werden geen proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting 2000 gehandhaafd.