ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5663
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Belastingrechtelijke beoordeling van winst uit verkoop melkquotum en maatschapsoverdracht bij emigratie melkveehouder
Belanghebbende, een melkveehouder die met zijn echtgenote een agrarisch bedrijf dreef, had in 1998 zijn melkquotum verkocht en later met terugwerkende kracht het quotum ingebracht in een maatschap met zijn echtgenote en een BV. De inspecteur stelde dat de winst uit de verkoop van het melkquotum in 1999 bij belanghebbende belastbaar was, terwijl belanghebbende betoogde dat dit niet het geval was.
De rechtbank oordeelde dat de winst uit de verkoop van het melkquotum volledig in 1998 aan belanghebbende toekomt en niet aan de BV kan worden toegerekend. Ook was terugwerkende kracht van de maatschapsovereenkomst met de BV slechts mogelijk tot 1 januari 1999, toen het melkquotum al was verkocht. De winst uit het bietenquotum werd toegerekend aan de BV, met toepassing van stakingsvrijstelling en aftrek van lijfrentepremies.
Verder werd geoordeeld dat het winstrecht dat belanghebbende had bedongen tegenover de BV niet tot aftrek van winst leidde, omdat de winst niet in 1999 was genoten en de transactie onzakelijk was. De lijfrentepremies waren aftrekbaar voor zover zij betrekking hadden op de overdracht van het bietenquotum en de afname van de fiscale oudedagsreserve.
De rechtbank stelde het verlies van belanghebbende over 1999 vast op negatief fl 83.447 (ongeveer € 37.866,58), vernietigde de aanslag en veroordeelde de inspecteur in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de aanslag inkomstenbelasting 1999 en stelt het verlies van belanghebbende vast op € 37.866,58.