ECLI:NL:RBBRE:2006:AY5720
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek geruisloze terugkeer wegens indienen na ontbinding vennootschap
Belanghebbende, een besloten vennootschap met één bestuurder en aandeelhouder, heeft op 20 februari 2002 een formulier bij de Kamer van Koophandel ingediend waarin de ontbinding van de vennootschap werd gemeld. Dit formulier geldt als een wilsbesluit tot ontbinding. Op 26 februari 2002 diende belanghebbende een verzoek in tot toepassing van de geruisloze terugkeerfaciliteit op grond van artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet VPB).
De inspecteur wees het verzoek af omdat het pas na de ontbinding was ingediend. Belanghebbende stelde dat het verzoek tijdig was en dat de regeling in 2002 nog onduidelijk was, waardoor zij onterecht werd benadeeld. De rechtbank stelde vast dat het ontbindingsbesluit rechtsgeldig was genomen en dat het verzoek om geruisloze terugkeer pas daarna werd ingediend.
De rechtbank oordeelde dat het verzoek ex artikel 14c, zevende lid, Wet VPB vóór de ontbinding moet worden ingediend. Omdat dit niet het geval was, was de afwijzing terecht. De overige standpunten van belanghebbende behoefden geen bespreking meer. Het beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het verzoek om toepassing van de geruisloze terugkeerfaciliteit werd afgewezen omdat het pas na de ontbinding van de vennootschap was ingediend.