AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Tussenuitspraak over geheimhouding Draaiboek en nieuwsbrieven in belastingzaak rekeningenproject
In deze bestuursrechtelijke belastingzaak gaat het om navorderingsaanslagen en boetes opgelegd aan belanghebbende naar aanleiding van het zogenaamde rekeningenproject, waarbij gegevens van bankrekeningen via Belgische autoriteiten zijn verkregen.
De inspecteur heeft ter zitting een deels onleesbare versie van het Draaiboek en nieuwsbrieven overgelegd en stelde dat deze stukken volledig tot het geding behoren, maar dat de integrale stukken alleen aan de rechtbank mogen worden getoond met toepassing van artikel 8:29 AwbPro. Belanghebbende vorderde dat de stukken integraal en volledig in het geding worden gebracht.
De rechtbank oordeelt dat het Draaiboek en de nieuwsbrieven relevant zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de aanslagen en boetes en derhalve integraal tot het geding behoren. De rechtbank wijst de stelling van de inspecteur af dat zij gemotiveerd passages kan afschermen.
Vanwege proceseconomische redenen en het risico van vooringenomenheid draagt de rechtbank op dat de integrale stukken binnen een maand aan de rechtbank worden gezonden en verwijst zij de zaak naar de geheimhoudingskamer voor beoordeling van het beroep op artikel 8:29 AwbPro. De behandeling van de zaak wordt geschorst totdat de geheimhoudingskamer heeft beslist.
Uitkomst: De rechtbank draagt op dat de integrale stukken aan de geheimhoudingskamer worden voorgelegd en schorst de zaak tot een beslissing is genomen.
Uitspraak
RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/2586
Uitspraakdatum: 3 juli 2006
Tussenuitspraak in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Eiser en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en Inspecteur.
De zaak is behandeld ter zitting van 20 maart 2006. Aldaar zijn verschenen en gehoord, belanghebbendes gemachtigde, alsmede de Inspecteur.
De rechtbank overweegt als volgt:
1. Het geschil betreft de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 1990, 1991, 1992, 1993 en 2000, in de vermogensbelasting voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994, de aanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor de jaren 2001 en 2002 alsmede de daarbij opgelegde boetes.
2. Belanghebbende is gehuwd. De aanslagen en boetes zijn aan belanghebbende opgelegd als gevolg van het zogenaamde “rekeningenproject”. In 1994 hebben medewerkers van [de bank] documenten en microfiches van de bank ontvreemd. De Belgische autoriteiten hebben gegevens van de microfiches in het kader van spontane uitwisseling van inlichtingen op basis van de EG-richtlijn 77/799/EEG verstrekt aan het Ministerie van Financiën. Op twee van de (kopieën van de) microfiches staat de naam [van belanghebbende] vermeld, met daarachter getallen. De inspecteur heeft daaruit geconcludeerd dat belanghebbende bankrekeningen aanhield bij de [bank]. Daarvan waren geen gegevens in de aangiften van belanghebbende vermeld.
3. De verwerking van gegevens die in het kader van het rekeningenproject vanuit België zijn verkregen, is centraal gecoördineerd en begeleid. Door zes vertegenwoordigers van verschillende onderdelen van de belastingdienst is een Draaiboek Rekeningenproject (het Draaiboek) opgesteld. Het Draaiboek bevat een algemene beschrijving van het totale project, de organisatorische aspecten van de klantbehandeling op de eenheden, een overzicht en beschrijving van het feitenmateriaal en de kwalificatie daarvan, een stappenplan voor de klantbehandeling en een aantal bijlagen met standaardteksten en feitelijke informatie. De inspecteur heeft ter zitting een kopie van het Draaiboek overgelegd waarin een aantal passages onleesbaar is gemaakt.
4. Tevens is in het kader van het Rekeningenproject door de “projectleiders van het rekeningenproject” een aantal nieuwsbrieven binnen de belastingdienst verspreid. De inspecteur heeft ter zitting kopieën van de nieuwsbrieven 1 tot en met 10 overgelegd waarin een aantal passages onleesbaar is gemaakt. De laatste overgelegde en verschenen nieuwsbrief is gedateerd 15 april 2003.
5. In haar pleitnota heeft de inspecteur onder meer gesteld dat met de overgelegde versies van het Draaiboek en de nieuwsbrieven alle op de zaak betrekking hebbende stukken ex artikel 8:42 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn ingebracht. Tevens heeft zij zich bereid verklaard om, indien de rechtbank dit wenst, met toepassing van artikel 8:29 AwbPro de integrale stukken (waarin alle passages leesbaar zijn) aan de Rechtbank over te leggen met de beperking dat alleen de rechtbank kennis zal mogen nemen van de stukken voor zover deze betreffen de in de overgelegde versie onleesbaar gemaakte gedeelten.
6. Belanghebbende heeft gesteld dat het Draaiboek en de nieuwsbrieven integraal in het geding moeten worden gebracht.
7. De rechtbank is na lezing van de door de inspecteur overgelegde versies van het Draaiboek en de nieuwsbrieven van oordeel dat elk van deze stukken relevant kan zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de onderhavige aanslagen en boetes en derhalve behoort tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 AwbPro. Op grond van het bepaalde in dit artikel dienen deze stukken integraal te worden overgelegd. De stelling van de inspecteur dat het tot haar competentie behoort om, gemotiveerd, binnen een stuk van het geding een onderscheid te maken tussen wel of niet over te leggen passages vindt geen steun in het recht.
8. Voor dat geval heeft de inspecteur gesteld bereid te zijn tot het overleggen van de integrale stukken evenwel voor wat betreft de in de overgelegde stukken onleesbaar gemaakte passages met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, Awb. Tevens heeft de inspecteur gesteld dat de toetsing van artikel 8:29, eerste lid, Awb dient plaats te vinden door de Meervoudige Kamer van deze rechtbank die het beroep van belanghebbende behandelt en dat verwijzing naar een “geheimhoudingskamer” uitsluitend voor de toetsing van artikel 8:29, eerste lid, in strijd is met de tekst van het vijfde lid van dat artikel.
9. De rechtbank is van oordeel dat het uit redenen van proceseconomie aangewezen is dat in de onderhavige zaak niet de rechter die de zaak in behandeling heeft de toetsing van artikel 8:29, eerste lid, Awb verricht. Artikel 8:29, vijfde lid, Awb bepaalt immers dat, indien de toetsing tot de gevolgtrekking leidt dat bepaalde passages terecht niet aan de belanghebbende worden verstrekt, de rechter slechts met toestemming van belanghebbende mede op grond van de informatie uit deze passages uitspraak kan doen. Uit hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd valt niet anders af te leiden dan dat hij deze toestemming zal weigeren. In een dergelijke situatie dient de rechter die de toetsing heeft verricht, om iedere suggestie van vooringenomenheid te vermijden, niet de rechter te zijn die de zaak ten gronde behandelt.
Beslissing:
De rechtbank:
- draagt de inspecteur op het Draaiboek en de Nieuwsbrieven binnen één maand na deze tussenuitspraak integraal aan de rechtbank te zenden;
- verwijst de zaak naar de geheimhoudingskamer van de rechtbank ter beoordeling van deze stukken met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:29 AwbPro;
- schorst de behandeling van de zaak tot de geheimhoudingskamer zal hebben beslist.
Deze tussenuitspraak is gedaan op 3 juli 2006 door mrs. A.J. Kromhout, A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en W. Brouwer, in aanwezigheid van mr. L. Abbing-van Kleef als griffier.
Tegen deze tussenuitspraak staat geen beroep (in cassatie) open.
De in te zenden stukken kunnen worden gezonden naar: