ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ1574
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen waardering afkoopsom levensverzekering voor inkomstenbelasting
Belanghebbende, enig aandeelhouder en bestuurder van een BV, had een levensverzekeringsovereenkomst met een kapitaal van ƒ 536.838, die in 2000 werd afgekocht voor ƒ 197.461. De afkoopsom werd via een rekening-courantverhouding met de BV afgehandeld. Belanghebbende nam in zijn belastingaangifte geen inkomsten uit de afkoop op, terwijl de inspecteur een belastbaar inkomen van ƒ 35.216 berekende op basis van de nominale afkoopsom.
Het geschil betrof de waardering van de afkoopsom: belanghebbende stelde een lagere waarde van 68% voor, terwijl de inspecteur uitging van 100%. De rechtbank stelde vast dat belanghebbende onvoldoende feiten had aangevoerd om een lagere waarde aannemelijk te maken. De liquiditeit en solvabiliteit van de BV boden geen reden om van de nominale waarde af te wijken.
De rechtbank benadrukte dat langlopende schulden en pensioenvoorzieningen anders wegen dan kortlopende schulden bij de beoordeling van de inbaarheid van de rekening-courantvordering. Er waren geen bijzondere omstandigheden die een lagere waardering rechtvaardigden. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de aanslag inkomstenbelasting wordt ongegrond verklaard en de afkoopsom moet voor 100% worden meegenomen.