ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ7124

Rechtbank Breda

Datum uitspraak
11 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
AWB 05/2611
Instantie
Rechtbank Breda
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:102 BWArt. 32 InvorderingswetHoofdstuk VI InvorderingswetAfdeling 8.2.6 AwbArt. 27d AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging beschikking aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW wegens ontbreken wettelijke basis

Belanghebbende is door de ontvanger hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet betaalde inkomstenbelastingaanslagen van haar echtgenoot over de jaren 1997 tot en met 1999, op grond van artikel 1:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De ontvanger baseerde deze aansprakelijkstelling op een beschikking van 2 november 2004.

De rechtbank oordeelt dat de Invorderingswet 1990 in Hoofdstuk VI de gevallen benoemt waarin personen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor belastingschulden van derden, maar dat artikel 1:102 BW Pro niet in deze opsomming voorkomt. Hoewel artikel 32, eerste lid, van de Invorderingswet openlaat dat aansprakelijkstelling op grond van andere wettelijke regelingen mogelijk is, moet dit volgens de daarvoor geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering geschieden.

Omdat de aansprakelijkstelling niet kan worden gebaseerd op Hoofdstuk VI van de Invorderingswet, ontbreekt de wettelijke grondslag voor de beschikking. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling van het beroep en verklaart het beroep gegrond. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van €644 en gelast zij vergoeding van het betaalde griffierecht van €37. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep en cassatie open.

Uitkomst: De beschikking aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW wordt vernietigd wegens het ontbreken van een wettelijke basis.

Uitspraak

RECHTBANK BREDA
Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer
Procedurenummer: AWB 05/2611
Uitspraakdatum: 11 december 2006
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) juncto artikel 27d van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) in het geding tussen
[belanghebbende], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
Eiseres en verweerder worden hierna ook aangeduid als respectievelijk belanghebbende en ontvanger.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van de ontvanger van 25 juli 2005 op het bezwaar van belanghebbende tegen de beschikking tot aansprakelijkstelling voor de aan de heer [belanghebbende] opgelegde (voorlopige) aanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 1997 tot en met 1999 tot een bedrag van € 101.074,77.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2006.
Aldaar zijn verschenen en gehoord de gemachtigde van belanghebbende, alsmede de ontvanger.
1. Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de beschikking aansprakelijkstelling;
- veroordeelt de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 644, en wijst de Staat der Nederlanden aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen;
- gelast dat de Staat der Nederlanden het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 37 aan deze vergoedt.
2. Gronden
2.1. Belanghebbende is door de ontvanger op grond van artikel 1:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor de niet betaalde voornoemde aanslagen inkomstenbelasting van haar echtgenoot. De ontvanger heeft belanghebbende aansprakelijk gesteld bij beschikking van 2 november 2004.
2.2. Krachtens Hoofdstuk VI van de Invorderingswet 1990 (Inv) kunnen in in die wet bepaalde gevallen personen aansprakelijk worden gesteld voor belastingschulden van derden. Aansprakelijkstelling op grond van artikel 1: 102 BW is in die wet niet als zodanig genoemd. Artikel 32, eerste lid, Inv laat de mogelijkheid open dat de ontvanger een persoon op grond van enige andere wettelijke regeling dan de Invorderingswet aansprakelijk stelt.
2.3. Aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW Pro dient plaats te vinden overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering. Nu de aansprakelijkstelling niet kan worden gebaseerd op Hoofdstuk 6 Inv, ontbreekt de wettelijke basis om belanghebbende bij beschikking aansprakelijk te stellen. De rechtbank zal de beschikking derhalve vernietigen.
2.4. De rechtbank komt aan de inhoudelijke behandeling van het beroep niet toe.
2.5. Gelet op het vorenoverwogene is het beroep gegrond verklaard.
3. Proceskosten
De rechtbank vindt aanleiding de Ontvanger te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 644 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 322 en een wegingsfactor 1).
Deze uitspraak is gedaan op 11 december 2006 door mr. A.F.M.Q. Beukers-van Dooren, voorzitter, mr. W. Brouwer en mr. W.E.M. van Nispen tot Sevenaer, rechters, en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. P.J.A.M. van Sleuwen, griffier.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum:
- hoger beroep instellen bij het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583,
5201 CZ ‘s-Hertogenbosch; dan wel
- beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303,
2500 EH ‘s-Gravenhage, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.
N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.
Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;
d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.
Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank;
2 - tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal de rechtbank deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt de indiener de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.