ECLI:NL:RBBRE:2006:AZ7124
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging beschikking aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW wegens ontbreken wettelijke basis
Belanghebbende is door de ontvanger hoofdelijk aansprakelijk gesteld voor niet betaalde inkomstenbelastingaanslagen van haar echtgenoot over de jaren 1997 tot en met 1999, op grond van artikel 1:102 van Pro het Burgerlijk Wetboek. De ontvanger baseerde deze aansprakelijkstelling op een beschikking van 2 november 2004.
De rechtbank oordeelt dat de Invorderingswet 1990 in Hoofdstuk VI de gevallen benoemt waarin personen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor belastingschulden van derden, maar dat artikel 1:102 BW Pro niet in deze opsomming voorkomt. Hoewel artikel 32, eerste lid, van de Invorderingswet openlaat dat aansprakelijkstelling op grond van andere wettelijke regelingen mogelijk is, moet dit volgens de daarvoor geldende bepalingen van burgerlijke rechtsvordering geschieden.
Omdat de aansprakelijkstelling niet kan worden gebaseerd op Hoofdstuk VI van de Invorderingswet, ontbreekt de wettelijke grondslag voor de beschikking. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding tot inhoudelijke behandeling van het beroep en verklaart het beroep gegrond. De beschikking aansprakelijkstelling wordt vernietigd.
Daarnaast veroordeelt de rechtbank de ontvanger in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van €644 en gelast zij vergoeding van het betaalde griffierecht van €37. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep en cassatie open.
Uitkomst: De beschikking aansprakelijkstelling op grond van artikel 1:102 BW wordt vernietigd wegens het ontbreken van een wettelijke basis.