ECLI:NL:RBBRE:2006:BC4546
Rechtbank Breda
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A.A. den Hartog
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vaststellingsovereenkomst en heffingsrente in belastinggeschil
Belanghebbende maakte bezwaar tegen aanslagen inkomstenbelasting en premies over de jaren 1999 tot en met 2001. Centraal stond de vraag of een vaststellingsovereenkomst tussen belanghebbende en de inspecteur tot stand was gekomen en of heffings- en invorderingsrente terecht waren opgelegd.
De rechtbank oordeelde dat de overeenkomst kwalificeert als een vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW Pro, waarbij partijen hun geschil over gemaakte kosten definitief hebben geregeld. Er was geen sprake van dwang of dwaling die vernietiging van de overeenkomst zou rechtvaardigen.
Ten aanzien van de heffingsrente stelde de rechtbank dat deze terecht is berekend conform artikel 30f AWR, aangezien de inspecteur binnen de wettelijke termijnen heeft gehandeld en de duur van de bezwaarprocedure niet relevant is voor de renteheffing. Over de invorderingsrente kon de rechtbank niet oordelen en verwees belanghebbende naar de ontvanger.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd op 24 mei 2006 in het openbaar gedaan.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de rechtsgeldigheid van de vaststellingsovereenkomst en de rechtmatigheid van de heffingsrente.